Terug naar site

Fritz Haber, Deel I - Karlsruhe, 2 juli 1909

Het kleine laboratorium op de eerste verdieping van de Technische Hochschule ademde een beklemmende, doffe warmte. De lucht rook naar verhit ijzer, vettige smeerolie en die ene scherpe, onmiskenbare walm van ammoniak die zich in de loop der jaren diep in de eikenhouten kozijnen en het afgesleten doek van de werkbanken gelegerd had.

Fritz stond gebogen over de opstelling. Zijn ronde bril glinsterde dun in het schuine licht dat door de hoge, stoffige ramen naar binnen viel. Voor hem verrees een smalle, stalen kolom van amper een meter hoog, ingebouwd in een strak netwerk van koperen leidingen en dikke, glazen reservoirs. Maandenlang had hij hier gestaan, samen met zijn assistent Le Rossignol, om de natuur af te dwingen wat de gevestigde chemici van Europa onmogelijk hadden geacht: stikstof, de ontastbare, luie lucht die in eindeloze hoeveelheden om hen heen zweefde, los te rukken en te binden aan waterstof.

Naast hem stond Alwin Mittasch. De afgevaardigde van BASF uit Ludwigshafen droeg een stijf, donker pak dat schril afstak tegen de met zuurvlekken bezaaide slip van Fritz’ werkjas. Hij hield een koperen zakhorloge in zijn hand, het deksel opengeklapt, terwijl zijn ogen onafgebroken gericht bleven op het glazen opvangbuisje onderaan de stalen kolom.

Een enkele, heldere druppel vormde zich aan de rand van het glas, zwol traag aan, liet los en viel met een nauwelijks hoorbaar tikje in het vloeistofniveau eronder.

“Hoeveel druk staat er nu op de kern, Haber?” vroeg Mittasch. Hij sprak zacht, zonder zijn blik van het buisje af te wenden.

“Tweehonderd atmosferen,” antwoordde Fritz. Zijn stem klonk schor van de droge lucht. “Meer dan enig ander laboratorium op dit continent ooit heeft aangedurfd. Bij een temperatuur van vijfhonderd graden Celsius. En met osmium als katalysator, een metaal zo zeldzaam dat we op dit moment vrijwel de gehele wereldvoorraad in dit kamertje hebben verzameld.”

Mittasch antwoordde niet direct. Hij luisterde naar het flauwe, krakende geluid van de drukregelaars en telde de druppels. Eén voor één. De lichte scepsis op zijn strakke gelaat maakte langzaam plaats voor een ingehouden, bijna schrikachtige stilte.

“Dit is pure, vloeibare ammoniak,” fluisterde Fritz. Hij strekte zijn hand uit en raakte het koude glas van het reservoir met zijn vingertop aan, alsof hij het fysieke bewijs nog moest bevestigen. “Continu geproduceerd. Uit niets anders dan de lucht die we opzuigen en waterstof die we zelf maken. Geen schepen meer die maandenlang over de oceaan moeten varen voor Chileense salpeter. Geen gevechten meer om guano op verre eilanden. Wij kunnen brood maken uit de lucht, Mittasch. We kunnen een heel continent voeden.”

Mittasch liet het deksel van zijn zakhorloge met een droge klik dichtvallen. Hij keek Fritz recht in de ogen.

“Als dit schaalbaar is,” zei de man van BASF, “dan stampen we in Ludwigshafen binnen een jaar een fabriek uit de grond die het aanzicht van de wereld verandert.”

Fritz knikte langzaam. Een diepe vermoeidheid trok door zijn schouders, maar onder zijn borststreek gloeide een zeldzame, bijna kinderlijke rust. Heel even dacht hij aan zijn vrouw Clara, zelf doctor in de scheikunde, die thuis in hun woning zat. Hij zag voor zich hoe haar ernstige, vaak zorgelijke blik zou verzachten wanneer hij haar dit zou vertellen.

De stilte in de kamer werd alleen nog onderbroken door het regelmatige, trage neersijpelen van de heldere vloeistof.