De stilte langs de Vlaamse velden was beklemmend. Al dagenlang stonden de zesduizend zware, stalen cilinders ingegraven in de drassige aarde van de voorste linie, over een lengte van bijna zes kilometer. Ze stonden er als kille, zwarte stelen, half aan het oog onttrokken door modder en zakken zand, wachtend op een element waar geen enkele legerleiding ooit eerder een strategie op had gebouwd: de wind.
Elk uur wandelde een jonge meteoroloog naar de rand van de loopgraaf. Hij stak een smal, rood zijden lintje boven de aarden wal uit en keek hoe het roerloos naar beneden hing, of fladderde in de verkeerde richting, naar het oosten, naar het zuiden, over de eigen linies heen. En elke keer keerde hij zwijgend terug met hetzelfde antwoord.
Fritz zat in een lage, houten schuilhut drie meter onder de grond. De dikke balken boven zijn hoofd lekten een gestage stroom van koud, naar verrotte bladeren ruikend grondwater. Bij het schijnsel van een walmende olielamp bleef hij zijn schriften doorbladeren. Zijn vingers, grijs van de grond en de inkt, streken langs de berekeningen die hij al honderden keren had gecontroleerd: de exacte hoeveelheid chloorgas per kubieke meter, de voortplantingssnelheid van een wolk bij een windkracht van twee meter per seconde, de dichtheid van het gas die het zwaar genoeg maakte om in de laagste kelders en schuilhoeken van de vijand te zakken.
Om hem heen zaten de Pruisische officieren. Hun koperen knopen blonken in het halfduister, maar hun gezichten stonden strak van ongeduld en wantrouwen. Sommigen haalden hun schouders op voor deze ‘burgerwetenschapper’ met zijn bril; anderen zagen het chemische middel als een laffe breuk met de aloude militaire eer, al sprak niemand dat hardop uit in zijn aanwezigheid.
Rond vier uur in de namiddag klonk het haastige kletsen van laarzen door de modderige gang buiten. De jonge meteoroloog liet zich over de drempel van de schuilhut glijden, zijn adem als kleine wolkjes in de koude lucht.
“Westelijk, Herr Doktor,” bracht hij er met moeite uit. “Zwak, maar stabiel naar het westen. Het blijft misschien twee uur zo.”
Fritz stond op. Hij streek zijn jas glad en stapte de smalle loopgraaf in. De aprillucht was scherp en helder. Hij liep langs de lange rij cilinders, waar Duitse soldaten klaarstonden met zware sleutels op de kranen. Om hun gezichten hadden ze doeken gebonden, doordrenkt met een mengsel van water en soda, een gebrekkige, gehaaste bescherming die Fritz zelf op het laatste moment had bedacht.
Hij keek over de rand van de aarden wal. Vierhonderd meter verderop lag het niemandsland: een kaal, doorkruist landschap van gebroken bomen, volgelopen granaattrechters en opgerold prikkeldraad, waarachter de Franse en Algerijnse linies lagen.
Hij bracht zijn hand omhoog.
“Nu,” zei hij.
Zijn stem klonk opvallend rustig, vlak en zakelijk, exact de toon die hij zes jaar eerder in Karlsruhe had gebruikt toen hij de vloeibare ammoniak uit de buis zag druppelen.
De soldaten zetten hun gewicht tegen de sleutels. Een langgerekt, hels sissen steeg op uit de aarde. Het klonk alsof honderden reusachtige ketels tegelijk hun stoom afbliezen. Uit de rubberen slangen die over de rand van de loopgraaf lagen, rolde een dichte, geelgroene nevel.
Het gas bleef laag, kleefde aan de natte aarde en dikte al snel in tot een muur van meer dan twee meter hoog. Langzaam, met de melancholische traagheid van een voorjaarsochtendmist over de weiden, bewoog de wolk zich voort. Het bedekte de kuilen, kroop in de granaattrechters en vrat zich een weg door het niemandsland.
Fritz bracht zijn veldkijker naar zijn ogen. Door de lenzen zag hij de geelgroene muur de overkant bereiken.
Eerst bleef het stil. Toen veranderde het geluid aan de horizon. Het was geen gebrul van kanonnen of het gejoel van een stormaanval. Het was een rauw, haperend hoesten. Een gorgelend geluid dat aanzwol tot een panisch geschreeuw. Door de kijker zag Fritz gedaanten uit de geallieerde loopgraven klimmen. Mannen zonder geweer, hun handen strak om hun eigen keel geklemd, hun lichamen gebogen in een wanhopige zoektocht naar schone lucht. Ze renden een paar meter, struikelden over het draad en bleven liggen in het gras, terwijl de nevel zich geruisloos over hen heen vouwde.
“Een fantastisch succes, Herr Doktor!” riep een van de officieren naast hem, terwijl hij Fritz hard op de schouder sloeg. “De hele linie ligt open! Geen schot voor afgevuurd!”
Fritz liet de kijker langzaam zakken. Zijn vingers waren koud. Vóór hem lag een gat van zes kilometer in het front, een gapende wond in het geallieerde leger. Maar de Duitse legerleiding, die zo min mogelijk geloof had gehecht aan zijn proef, had geen reserves achter de hand gehouden. Er waren geen regimenten om door het gat te marcheren. De wolk dreef traag verder, de overwinning verwaaide in de avondlucht en liet alleen de doden achter.
In het halfduister dacht hij heel even aan de stalen kolom in Karlsruhe. Aan de heldere druppels die daar één voor één in het glazen reservoir waren gevallen.
Die avond werd hij bevorderd tot Hauptmann. Een burger in een officiersuniform.