Het grote huis aan de Tannenstrasse stond er warm verlicht bij in de frisse lentenacht. De hoge ramen op de begane grond wierpen brede, gele banen van licht over het verzorgde gazon, waar de goudsbloemen en de eerste seringen voorzichtig in bloei stonden. Vanbinnen klonk het gedempte geroezemoes van stemmen, het zachte tikken van kristallen champagneglazen en af en toe een luide lach van een legerofficier.
Fritz stond in het midden van de salon. Zijn kersverse kapiteinsuniform zat strak om zijn middel, de epauletten glommen onder het licht van de kroonluchter. Hij hield een glas vast, zijn wangen licht getint door de zware Franse wijn en de constante stroom van felicitaties. Hij sprak over de toekomst van de wetenschap, over de plicht van een geleerde om in tijden van oorlog zijn vaderland te dienen tot de uiterste grens.
Aan de rand van de kamer, half in de schaduw van de zware fluwelen gordijnen, stond Clara.
Ze droeg een eenvoudige, donkere jurk. Haar glas champagne stond onaangeroerd op een klein bijzettafeltje naast haar. Haar ogen, die ooit zo fel en nieuwsgierig hadden gestaan toen ze als eerste vrouw in Breslau haar doctoraat in de scheikunde behaalde, volgden de mensen in de kamer. Nu en dan keek ze naar Fritz. Wanneer iemand haar aansprak, antwoordde ze beleefd. Een enkele keer glimlachte ze. Het glas op het tafeltje raakte ze niet aan.
Rond middernacht vertrokken de laatste gasten. De voordeur ging verschillende keren open en dicht. Stemmen verdwenen in de nacht, rijtuigwielen rolden over de straat en langzaam keerde de stilte terug in het huis.
In de hoge gang, bij de voet van de houten trap, begonnen Fritz en Clara te praten. Eerst zacht. Vanuit de kamer op de eerste verdieping kon hun veertienjarige zoon Hermann de woorden niet verstaan. Hij hoorde alleen hun stemmen door de vloer en de muren heen. Die van zijn vader, kort en laag. Die van zijn moeder, sneller nu. Daarna harder.
Een naam.
Ieper.
Een zin waarvan hij alleen het woord wetenschap verstond.
Toen de stem van zijn vader opnieuw. Scherper.
Hermann trok de deken hoger over zich heen en drukte zijn handen tegen zijn oren. Zelfs zo bleef het geluid door de kamer gaan. Stemmen die elkaar onderbraken, een voetstap in de gang, het plotselinge schuiven van een stoel.
Toen sloeg ergens beneden een deur dicht.
Daarna werd het stil.
Clara bleef nog enige tijd in de gang staan. Vanuit de salon viel een smalle baan licht over de vloer. Op een bijzettafel stonden de gebruikte glazen van die avond. In één ervan zat nog een laatste bodem wijn. Haar eigen champagneglas stond verderop, onaangeroerd.
Ze liep de trap op.
Boven bleef ze voor de deur van Hermanns kamer staan. Haar hand rustte een ogenblik op de klink, maar ze opende de deur niet.
Daarna liep ze verder.
In het kleine studeerkamertje van haar echtgenoot brandde nog een lamp. Op het bureau lagen papieren, een opengeslagen schrift en enkele potloden. Clara bleef ervoor staan. Ze kende dit soort schriften. Jaren geleden hadden haar eigen handen dezelfde tekens geschreven, dezelfde formules, dezelfde taal waarin materie zich liet terugbrengen tot symbolen en getallen.
Ze trok een houten lade open.
Daar lag Fritz’ dienstpistool.
Clara bleef stil staan. Vanuit de slaapkamer verderop klonk een beweging. Een leiding tikte ergens in de muur. Buiten ruiste de wind zacht door de jonge bladeren.
Ze nam het pistool uit de lade.
Beneden opende ze de tuindeuren. De nachtlucht was koud. Het gras voelde nat aan onder haar lichte schoenen. Ze liep het gazon op, tussen de donkere struiken en de geur van de seringen.
Het huis achter haar was stil.
Kort voor het aanbreken van de dageraad klonk er één enkele, droge knal.
Hermann was de eerste die naar buiten rende. Hij vond zijn moeder in het natte gras, het pistool naast haar in de aarde. Hij knielde neer en hield haar vast. Achter de bomen begon de hemel langzaam lichter te worden.
Later die ochtend stond in de hal een koffer klaar. Daarnaast lagen enkele schriften.
Buiten wachtte een rijtuig.
Fritz trok zijn jas aan, nam zijn bagage en liep naar buiten. De koetsier opende het portier. Fritz stapte in.
Het rijtuig reed weg in de richting van het station.
Op de eerste verdieping bleef een raam openstaan.
In de tuin bewogen de seringen zacht in de ochtendwind.
Door: Walter Meijer.
Nachtvuur.
Historische noot
Deze scènes zijn een literaire verbeelding, gebaseerd op gedocumenteerde feiten: op 2 juli 1909 demonstreerde Fritz Haber in Karlsruhe, in aanwezigheid van BASF-chemicus Alwin Mittasch, de continue synthese van vloeibare ammoniak uit stikstof en waterstof, de basis van het latere Haber-Boschprocedé, waarmee kunstmest op wereldschaal mogelijk werd. Op 22 april 1915 leidde Haber persoonlijk de eerste grootschalige chlooraanval in de geschiedenis, bij Ieper. Zijn vrouw Clara Immerwahr, zelf gepromoveerd chemica en fel gekant tegen zijn werk aan gifgas, pleegde in de vroege ochtend van 2 mei 1915 zelfmoord met zijn dienstpistool in de tuin van hun huis in Berlijn-Dahlem; Haber vertrok diezelfde ochtend naar het oostfront voor een volgende gasaanval, zonder haar begrafenis bij te won