Het paleis dat Fuchai voor haar liet bouwen op de heuvel bij Gusu overtrof, naar men in het hele rijk fluisterend vertelde, alles wat er ooit binnen de muren van Wu was neergezet, lange gangen van gepolijst hout waarin haar voetstappen weerklonken als muziek, een breed terras vanwaar men de rivier kon zien kronkelen tot aan het einde, die op heldere dagen bijna onzichtbaar samenviel met de lucht, en, in het hart van het complex, verscholen tussen tuinen vol zorgvuldig aangelegde pioenrozen, een bassin gevuld met helder water waarboven een lange, houten vlonder was aangelegd, zodat Xi Shi, wanneer zij erover liep, het geluid van haar eigen enkelbanden hoorde weerkaatsen tegen het wateroppervlak, als regendruppels op een dak dat nooit ophield met regenen.
Fuchai bezocht haar bijna elke avond. Zijn staatszaken liet hij steeds vaker over aan ministers die hij, naarmate de jaren verstreken, nauwelijks nog raadpleegde. Liever zat hij naast haar op het terras en luisterde, met een aandacht en een stilte die hij bij niemand anders aan zijn hof kon opbrengen. Niet bij zijn generaals, niet bij zijn eigen zonen.
Wu Zixu, de oudste en trouwste raadsheer van het rijk, een man die reeds Fuchai's vader had gediend en die de littekens van oudere oorlogen nog op zijn armen droeg, stond op een avond voor de koning met een vasthoudendheid die zijn positie aan het hof, dat wist hij zelf ook, al jaren gevaarlijk maakte.
"Majesteit," zei hij, terwijl Fuchai nauwelijks opkeek van het weelderige maal dat voor hem was uitgestald, "elk muntstuk dat u aan dit paleis besteedt, aan deze vlonders en deze pioenrozen, is een muntstuk dat Yue niet meer hoeft te veroveren om u te verzwakken. Terwijl u paviljoenen bouwt, bouwt Goujian legers, in stilte, ver van uw blik."
"Goujian," antwoordde Fuchai, met een lichte, bijna geamuseerde glimlach die zijn gezicht nauwelijks leek te verstoren, "is een gebroken man, die zich tot de diepste vernedering liet dwingen, alleen om zijn armzalige leven te redden. Hij vreest mij meer dan hij ooit de moed zal vinden een leger tegen mij te verzamelen."
Wu Zixu wierp, tegen zijn eigen voorzichtigheid in, een korte blik op Xi Shi, die zwijgend naast de koning zat, haar ogen bescheiden neergeslagen, haar gezicht een en al ingetogen onschuld, een blik die de oude raadsheer, in tegenstelling tot zijn koning, geen moment vertrouwde, en nooit had vertrouwd sinds de dag dat zij voor het eerst aan het hof was gearriveerd.
"Die vrouw," zei hij zacht, "is geen geschenk, majesteit, hoe mooi zij ook is. Zij is een pijl die Yue met zorg in uw eigen hart heeft geschoten, en u dankt hen ervoor door hem daar te laten zitten, avond na avond, dieper dan hij ooit kan doordringen met enig zwaard."
Fuchai's gezicht verhardde voor het eerst die avond. "Genoeg," zei hij, zijn stem plotseling scherp. "U spreekt over een vrouw wier enige misdaad haar schoonheid is, Wu Zixu, en ik begin te vermoeden dat uw jaloezie u meer stuurt dan uw wijsheid."
In de weken die volgden werd Wu Zixu's stem steeds luider, en toch steeds minder gehoord, tot zijn eigen groeiende wanhoop. Bo Pi, een andere raadsheer, was al jaren in het geheim door de koning van Yue omgekocht met kostbare geschenken. Avond na avond fluisterde hij Fuchai in dat de oude minister, met zijn eindeloze waarschuwingen, zelf een gevaar voor de troon was geworden, erger, zei hij, dan enige dreiging van buiten.
Op een ochtend, zonder enige aankondiging vooraf, werd Wu Zixu een zwaard toegezonden, vergezeld van het koninklijke bevel zichzelf ermee te doden. Hij deed het zonder enig verzet, kalm, zoals hij zijn hele leven zijn koning had gediend, maar vroeg, kort voor hij stierf, aan de bode die het zwaard had gebracht, dat men zijn ogen na zijn dood boven de stadspoort van Gusu zou laten hangen, zodat hij, zei hij, met eigen ogen zou kunnen aanschouwen hoe de legers van Yue op een dag door diezelfde poort naar binnen zouden trekken.
Xi Shi hoorde van zijn dood die avond, terwijl zij alleen in haar vertrekken zat, bij het open venster, en naar de laatste geluiden van het paleis luisterde die wegstierven in de nacht. Zij voelde geen triomf, ontdekte ze tot haar eigen verbazing, alleen een gewicht dat zij niet had verwacht te voelen, ergens diep onder de ingetogen glimlach die zij inmiddels moeiteloos kon oproepen, wat er ook, onder die glimlach, in haar omging.