De rivier bij Zhuji stroomde traag op deze ochtend, haar oppervlak glad als gepolijst jade, gerimpeld slechts waar een libel even neerstreek en weer opsteeg. Langs de oever, waar de bamboe zich zwaar over het water boog, wasten de dorpsvrouwen zoals zij dat elke ochtend deden sinds hun moeders het hun hadden geleerd, zijde die zij zelf hadden gesponnen, uitgeklopt tegen de platte stenen tot het water rondom hen wit werd van het schuim, en hun stemmen, zacht pratend over niets in het bijzonder, zich vermengden met het geluid van de rivier zelf.
Onder hen was er een van wie de bewegingen, de andere vrouwen, zonder dat zij het zelf wilden, deden vertragen, alsof de rivier haar eigen tempo aan de hare had aangepast. De mensen in het dorp, en ook ver daarbuiten, zeiden dat de vissen die haar zagen vergaten te zwemmen en langzaam naar de bodem zonken, verblind door wat zij daar, boven het wateroppervlak, zagen, een schoonheid waarvoor de taal van gewone mensen tekortschoot, en die daarom, generaties later, nog altijd met die ene beeldspraak werd aangeduid: het meisje voor wie de vissen zonken.
Fan Li, raadsheer van koning Goujian, stond die ochtend op enige afstand van de oever, verscholen tussen de bamboestengels, zijn handen ineengevouwen in de mouwen van zijn gewaad, zijn blik niet op het water gericht maar op het meisje zelf, die niets van zijn aanwezigheid vermoedde. Hij was hier gekomen op verzoek van zijn koning, die drie jaar eerder de vernederendste nederlaag van zijn leven had geleden tegen koning Fuchai van Wu, en die sindsdien, als ondergeschikte, in het paleis van zijn overwinnaar had geleefd, waar hij, naar men aan het hof van Wu geloofde, zijn eigen trots volledig had begraven onder een gehoorzaamheid zo volmaakt geveinsd dat zelfs Fuchai zelf uiteindelijk overtuigd was geraakt dat Goujian gebroken was, ongevaarlijk, een hond die men had getemd.
Hij was niet gebroken. Hij had, in de kamers waar men hem had vernederd, waar men hem ooit zelfs de paarden van Fuchai had laten verzorgen als bewijs van zijn onderwerping, geleerd wat geduld werkelijk betekende, en nu, teruggekeerd naar Yue, sliep hij niet langer op een zacht bed maar op een laag van ruwe takken, en proefde hij elke avond, voor het slapengaan, een enkele druppel gal, bewaard in een kleine, aarden pot naast zijn bed, om nooit te vergeten hoe schaamte smaakte, tot de dag dat hij haar kon terugbetalen met iets nog bitterder dan gal.
"Xi Shi," zei Fan Li zacht, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders, terwijl hij haar zag bewegen langs de oever, haar handen bezig met de natte zijde, haar gezicht in geen enkel opzicht bewust van wat er zojuist, in de geest van deze raadsheer, stilzwijgend was besloten.
Hij liet haar diezelfde week naar het hof brengen, niet als gevangene, maar als een meisje aan wie een lot werd aangeboden dat de meeste dorpsdochters van Zhuji zich niet eens durfden voor te stellen, jaren van onderricht in muziek, in dans, in de kunst van het spreken zonder ooit iets wezenlijks prijs te geven, in de manier waarop een vrouw een kamer kon vullen zonder een enkel woord te hoeven zeggen, enkel met de wijze waarop zij haar ogen neersloeg of haar blik weer ophief.
Xi Shi leerde snel, sneller dan haar leermeesters hadden verwacht of zelfs prettig vonden, al vroeg zij zich, in de stille uren tussen de lessen, wanneer de kaarsen laag brandden en de andere meisjes van het hof al sliepen, telkens opnieuw af waarom een koning die zij nog nooit had ontmoet zoveel belang hechtte aan het onderwijzen van een eenvoudig wasmeisje in de verfijnde kunsten van een hofdame.
Op een avond, toen de lessen waren afgelopen en de laatste kaars nog maar nauwelijks licht gaf, riep Fan Li haar bij zich, in een kamer waar verder niemand aanwezig was, waar zelfs de bedienden op zijn uitdrukkelijk bevel waren weggestuurd.
"U zult naar Wu gezonden worden," zei hij, zijn stem zacht maar zonder enige ruimte voor tegenspraak, zoals een man spreekt die een besluit al lang geleden heeft genomen en enkel nog de mededeling ervan overhad. "Als geschenk aan koning Fuchai, ter bezegeling van onze onderwerping aan zijn rijk."
Xi Shi zei aanvankelijk niets. Haar ogen bleven gericht op de vlam van de kaars, die licht flakkerde in de tocht die door het open venster naar binnen gleed, alsof het antwoord op wat zij wilde vragen daar, in die kleine, bewegende vlam, verscholen lag.
"En wat wordt er dan van mij verwacht in Wu?" vroeg Xi Shi ten slotte.
Fan Li antwoordde niet meteen. Hij stond op en liep naar het kleine raam, en keek naar de nacht daarbuiten, waar ergens, onzichtbaar in het duister, de rivier nog altijd traag en onverstoorbaar naar zee stroomde, zoals zij al eeuwen had gedaan en nog eeuwen zou blijven doen, onaangeraakt door wat er zich in paleizen afspeelde.
"Dat u een koning bemint," zei hij ten slotte, zijn rug nog altijd naar haar toegekeerd. "Zo oprecht dat hij vergeet naar zijn grenzen te kijken, naar zijn legers, blind voor de mannen die hem ooit zouden kunnen verraden."
Xi Shi bleef lange tijd stil, terwijl de betekenis van die woorden zich langzaam, laag voor laag, een weg baande door alles wat zij tot op dat moment over haar eigen, bescheiden lot had aangenomen.
"En als ik hem werkelijk bemin," vroeg ze zacht, bijna fluisterend, "wat gebeurt er dan met mij, wanneer koning Goujian eindelijk vindt wat hij zoekt en Wu niet langer bestaat om mij te beschermen?"
Fan Li draaide zich naar haar om, en voor het eerst die avond verscheen er iets op zijn gezicht dat op spijt leek, al zou hij het later, tegenover niemand, ooit zo hebben genoemd.
"Dat," zei hij zacht, "is een vraag die niemand van ons vandaag kan beantwoorden."