Terug naar site

Deel II - Deelfontein, Zuid-Afrika, 1900

De canvas tent van het veldhospitaal stond opgesteld ver buiten het zicht van de bewoonde wereld. Overdag joeg de woestijnwind hete stofwolken door de kieren van het zeil; ’s nachts zakte de temperatuur tot een ijzige kilte die het linnen deed verstijven.

John, majoor bij het Warwickshire Regiment en een half jaar eerder nog radioloog in een rustig ziekenhuis in Birmingham, stond gebogen over een rammelende opstelling. Het leek in niets op de glimmende apparatuur uit Engeland: het was een omgebouwd fietsframe, gemonteerd op een houten krat, verbonden met zware koperen spoelen en een kwetsbare glasbuis. Een assistent zat op het zadel en trapte met natbezweet voorhoofd de dynamo aan om de vereiste stroom op te wekken.

Op de veldtafel lag een jonge soldaat. Zijn gezicht was grauw van de koorts, zijn lippen droog. Een Mauserkogel had zich diep in zijn onderarm geboord. Vroeger was er maar één manier geweest om zo’n projectiel te vinden: snijden op de tast, tasten met de sonde en hopen dat het weefsel het overleefde.

John schoof een fotoplaat onder de arm van de jongen en knikte. De assistent trapte sneller. De vacuümbuis begon te zoemen, een hoog, raspend elektrisch geluid dat zich mengde met het verre, doffe stampen van artillerie aan de horizon.

Vijf minuten later, in de verduisterde hoek van de tent die als doktersruimte diende, tilde John de natte plaat op uit het fixeerbad. Er verscheen een kleine, scherpe, elliptische schaduw, duidelijk afgetekend tegen het grijze bot.

“Daar,” zei John.

Hij wees met de achterkant van zijn potlood naar het glas.

“Vlak onder de ellepijp. De chirurg hoeft niet meer te gissen.”

De legerarts die naast hem stond, gewend aan het bloedige giswerk in de veldhospitalen, slaakte een diepe zucht.

“Vroeger sneden we het halve been of de arm open,” mompelde hij, “en vonden we de kogel nóg niet.”

John legde de plaat voorzichtig in een droogrek bij de tientallen andere platen van die week. Bijna tweehonderd soldaten had hij al doorgelicht. Tweehonderd lijven, elk met hun eigen geheim: een granaatscherf, een verbrijzelde gewrichtskop, een kogel.

Hij dacht er zelden over na wat de voortdurende straling met hemzelf deed. De aanhoudende roodheid op de rug van zijn handen en de lichte gevoelloosheid in zijn vingertoppen schreef hij toe aan de snijdende Zuid-Afrikaanse zon en het harde water. Hij werkte zonder bescherming, dag in dag uit, gedreven door de haast om levens te redden op een slagveld dat Wilhelm Röntgen zich nooit had kunnen voorstellen.

Wat hem wel bezighield, was het bevreemdende gevoel van de handeling zelf: hoe vanzelfsprekend het was geworden om zomaar door de huid van een mens heen te kijken, alsof de menselijke buitenkant niet meer was dan een gordijn dat je opzij kon schuiven.