Terug naar site

De Taxichauffeur en de Bruid

Het is al wat later in de avond als ik mijn eerste rit afzet bij ‘De Oude Hofstede’, een verscholen boutiquehotelletje aan de rand van het bos. Alleen chauffeurs die al decennia op de nachtdienst zitten, weten dat deze plek bestaat. Er staat geen bord langs de weg en de navigatie stuurt je steevast een doodlopend zandpad op.

Het stelletje op de achterbank woont in de stad, zeggen ze, maar wil er een nacht tussenuit zonder dat iemand weet waar ze zijn. ‘Nee, ik ben bij Loes,’ hoor ik haar zacht fluisteren. Toen ze uitstappen, houdt hij de paraplu boven haar hoofd en tilt haar lachend over de diepe plas bij de oprit. Ik kijk ze na tot de zware eikenhouten deur achter hen dichtvalt en haal de wagen uit zijn parkeerstand.

Op de terugweg naar mijn vaste standplaats in het centrum begint het harder te regenen. Wanneer ik bij het eerste grote kruispunt aankom, wordt de achterdeur met een ruk opengetrokken.

De kille nachtlucht slaat mijn wagen binnen, samen met de geur van natte zijde en parfum. Pas als het binnenlicht automatisch aanspringt, zie ik haar goed: een trouwjurk. De zoom is loodzwaar en zwart van het modderwater, haar haar kleeft in natte plukken aan haar nek. Geen jas. In haar trillende hand houdt ze twee witte merkschoenen vast bij de riempjes.

Haar ademhaling is een schokkerig, jachtend geluid.

‘Het station,’ zegt ze. Haar stem slaat over op de tweede lettergreep. ‘Alsjeblieft. Rij.’

Ik kijk via de binnenspiegel. Ze kijkt niet naar mij. Ze staart naar de vlekken op haar schoot, haar vingers zo strak in het tweekleurige kant gedrukt dat haar knokkels spierwit aftekenen.

‘Welk station?’

‘Maakt niet uit!’ roept ze, veel te hard. Dan schrikt ze van haar eigen volume. Ze slikt, perst haar lippen op elkaar en fluistert: ‘Het maakt echt niet uit. Zolang het maar ver is.’

Ik zet de wagen in zijn drive en trek op. De banden spinnen even op het drijfnatte asfalt. De ruitenwissers jagen op hun hoogste stand over het raam, maar houden het water amper bij. Drie straten verderop passeren we een verlichte feestzaal. De ramen beslagen, de bastonen van een dj die dof door het glas trillen, een roker bij de ingang die zijn hand boven zijn sigaret houdt tegen de regen.

Ze kijkt niet. Ik hoor een klein, ingehouden geluid achter in haar keel.

‘Feest voorbij?’ vraag ik. Mijn eigen stem klinkt te vlak, te alledaags voor de paniek die op de achterbank zit.

‘Het is niet eens begonnen,’ zegt ze.

Ik laat het daarbij. Twintig jaar ervaring op een taxi leert je het verschil tussen iemand die wil praten en iemand die eerst tot zichzelf moet komen. Ik zet de radio zachter. Niet uit, alleen een zacht geluid om niet te hoeven praten.

Bij het volgende stoplicht kijk ik weer in de spiegel. Ze heeft haar voorhoofd tegen het koude raam gedrukt. Haar adem maakt een ronde, beslagen vlek op het glas die met elke ademhaling dan weer groter wordt en dan weer krimpt.

‘Ik heet Willem,’ zeg ik zacht.

Ze doet haar ogen niet open. ‘Nina.’

‘Nina.’ Ik omklem het stuur wat steviger. ‘Er is een groot station bij het centrum, twintig minuten rijden. En een klein streekstation hier, acht kilometer vandaan. Maar daar stopt om deze tijd niks meer.’

‘Rij naar het kleine,’ smeekt ze, en voor het eerst kijkt ze op. Haar ogen zijn rood doorlopen, de mascara uitgelopen in donkere strepen over haar wangen. ‘Alsjeblieft, Willem. Als ik naar het grote station ga, stap ik op de trein. En als ik op de trein stap...’ Ze maakt de zin niet af. De twijfel slaat als een fysieke golf over haar heen. Ze grijpt de rand van mijn stoel vast. ‘Misschien moet ik terug. God, ik moet terug. Hij staat daar alleen. Mijn vader... iedereen...’

‘Als ik nu keer, ben je over vier minuten weer bij de zaal,’ zeg ik eerlijk. Mijn hartslag versnelt ongewild. Ik voel het koude zweet van haar beslissing in mijn nek.

Ze blijft roerloos zitten. Haar hand laat mijn stoelleuning langzaam los. ‘Rij maar door,’ fluistert ze. ‘Rij gewoon maar door naar nergens,’ fluistert ze nog zachter.

We draaien de zwak verlichte ringweg op. Het gele licht van de lantaarnpalen strijkt telkens over haar gezicht. Aan, uit. Aan, uit. Een ritmisch lichtspel van gezien worden en er niet zijn.

‘Mag ik roken?’ vraagt ze wanhopig. ‘Ik weet dat het niet mag.’

Ik draai mijn eigen raam op een kier. De natte wind giert naar binnen. ‘Steek er maar een op.’

Ze graait met haar hand in haar jurk, zoekend naar een zak die er niet is. Ze heeft niets bij zich. Geen tas, geen telefoon, geen geld. Alleen die doordrenkte jurk en de schoenen op de mat. Ze brengt twee lege vingers naar haar lippen, ademt diep in alsof ze rook binnenhaalt en laat haar hand weer zakken.

Ze lacht. Eén droge, schorre uithaal die meteen breekt in een snik. ‘Ik heb niet eens sigaretten bij me.’

We rijden kilometers lang in stilte. De snelweg is leeg, geel verlicht en troosteloos.

‘Ben je getrouwd?’ vraagt ze plotseling uit het donker.

‘Vijftien jaar,’ zeg ik.

‘Wist je het zeker? Toen je daar stond? Wist je honderd procent zeker dat zij het was?’

De vraag snijdt dieper dan ze kan vermoeden. Ik denk aan de ochtenden thuis. Aan de zwijgende kopjes koffie, de ingesleten patronen, de muren die we in vijftien jaar langzaam om elkaar heen hebben gebouwd.

‘Nee,’ zeg ik, en de waarheid schuurt in mijn eigen keel. ‘Ik wist het niet zeker. Ik was alleen te bang om nee te zeggen.’

Nina buigt naar voren. ‘Bang voor wat?’

‘Bang voor het verdriet van de ander. Bang voor de leegte die achterblijft als je de deur dichttrekt. Ik had geen antwoord op de vraag wie ik zonder haar zou zijn, dus zei ik maar ja. Ik hoopte dat het gevoel later wel zou komen.’

‘En?’ Haar stem is een dun draadje. ‘Is het gekomen?’

Ik kijk naar de lege weg voor me, naar de ruitenwissers die ritmisch heen en weer zwaaien. ‘Soms. En soms vraag ik me af wie ik was geworden als ik op het nippertje, nou ja, je weet wel, zoals jij.’

Nina slikt hoorbaar. Het verkeersbord langs de weg wijst naar de afslag van het streekstation.

‘Ik stond achter de deuren van de zaal,’ zegt ze, haar stem nauwelijks luider dan het ruisen van de banden op de natte weg. ‘Mijn vader pakte mijn arm vast. Ik keek door het kleine raampje naar binnen. Hij stond bij het altaar. Hij is rijk, heeft veel vrienden en humor. Maar ineens... zag ik hem niet meer. Ik zag alleen een man die verwachtte dat ik vanaf vandaag een specifieke rol zou spelen in zijn leven. En ik wist: als ik die drempel overstap, ben ik Nina niet meer. Dan ben ik “de vrouw van”. En ik kon het niet. Ik kreeg geen lucht meer, Willem. Ik ben gewoon omgedraaid en gaan rennen.’

Ze bedekt haar gezicht met haar handen. Haar schouders schokken heftig.

‘Denk je dat ik slecht ben?’ vraagt ze tussen haar tranen door. ‘Hij houdt van me. Hij heeft dit niet verdiend.’

‘Niemand verdient het om achtergelaten te worden,’ zeg ik harder dan de bedoeling is. ‘Maar hij verdient het ook niet om getrouwd te zijn met een vrouw die elke ochtend wakker wordt en denkt: ik had hier niet moeten zijn.’

Ze kijkt op. De woorden vallen zwaar in de besloten ruimte van de wagen.

Ik rem af voor de afslag. Het kleine station doemt op in de verte: een verlaten glazen bak onder twee felle, gele lampen, verloren tussen de weilanden. Geen treinen meer. Geen mensen.

Ik stop de auto bij het bushokje en zet de motor uit. De plotselinge stilte is oorverdovend. Alleen het tikken van de afkoelende uitlaat en het gestaag neervallende water op het dak.

Nina maakt geen aanstalten om uit te stappen. Ze kijkt naar haar linkerhand. Om haar ringvinger blinkt de gouden verlovingsring.

Haar hand trilt zo erg dat ze moeite heeft om het metaal over haar knokkel te krijgen. De huid eronder is rood en rauw geschuurd.

‘Ik kan deze niet meenemen,’ zegt ze. ‘Als ik hem omhoud, stik ik.’

‘Laat hem af,’ zeg ik.

Ze trekt hem los. Ze kijkt er even naar, een glinstering van goud in het halve duister, en legt hem dan in het plastic bakje naast de handrem, tussen een paar losse euromunten en een winkelwagenmuntje.

‘Als hij zo meteen zoekt...’ stamelt ze, de paniek vlamt weer op. ‘Wat als hij naar het station komt?’

‘Ik blijf hier nog wel even staan,’ zeg ik. ‘Neem de traphal naar het tweede perron. Daar is een overdekte wachtruimte. Niemand ziet je daar vanaf de straat.’

Ze pakt haar doordrenkte schoenen van de vloer. Ze kijkt me aan via de spiegel, en voor het eerst maken onze ogen echt contact.

‘Dank je,’ zegt ze. ‘Voor het niet oordelen.’

‘Ik oordeel niet, Nina,’ zeg ik, en ik meen elk woord. ‘Ik ben alleen maar de chauffeur.’

Ze opent het portier. De koude regen slaat meteen weer naar binnen. Ze stapt uit, blootsvoets op het natte, zwarte asfalt. De lange, modderige sleep van haar trouwjurk trekt een spoor achter haar aan over de tegels van het station.

Bij de automatische schuifdeuren aarzelt ze. Ze blijft drie seconden stilstaan, haar hand zwevend boven de glazen deur, alsof ze op het punt staat zich om te draaien en mij haar terug te laten brengen naar de feestzaal. Naar de veiligheid van een fout die al gemaakt is.

Haar schouders zakken. Ze duwt de deur open en verdwijnt naar binnen.

Ik blijf zitten met mijn handen in mijn schoot en draai mijn eigen trouwring een paar maal langzaam om mijn vinger, terwijl ik kijk naar de ring die in het vakje naast de handrem ligt. Hij weerkaatst het gele licht van de lantaarnpaal buiten.

Ik pak het kleine stukje goud op. Het voelt ijskoud tegen mijn duim. Vijftien jaar getrouwd. Een ring die strak zit.

Ik stop hem diep in mijn broekzak, draai de sleutel om en rij langzaam de lege nacht weer in.

Op weg naar een volgende rit.


Door: Carolette Meran‑Davriel.
Inkt & Schaduw.