Terug naar site

Nobel. Deel III - Parijs, 27 november 1895

De avond was vroeg over Parijs gevallen. Regen had de straten donker gemaakt en onder de gaslantaarns glansden de kasseien alsof er een dunne laag olie overheen lag. Rijtuigen trokken door de Rue de Rivoli en verdwenen met het ratelen van hun wielen in de straten rond de Place de la Concorde. Alfred had zijn koetsier eerder die avond laten stoppen bij de Zweeds-Noorse Club, waar hij vaker kwam wanneer hij in Parijs verbleef. Binnen was het warm. Jassen hingen zwaar van de regen aan de kapstok en vanuit een aangrenzende ruimte klonk het gedempte geluid van stemmen, glaswerk en een enkele lach die even boven de andere gesprekken uitsteeg.

Alfred bleef een ogenblik in de hal staan voordat hij zijn jas afgaf. De tocht had hem vermoeid. De laatste jaren gebeurde dat vaker. Zijn schouders stonden minder recht dan vroeger en onder zijn vest voelde hij de bekende druk op zijn borst. Soms verdween die na enkele minuten, soms bleef ze uren aanwezig als een hand die niet hard genoeg kneep om pijn te doen, maar ook niet losliet. Hij haalde langzaam adem en wachtte tot het gevoel afnam. Onder zijn arm droeg hij een leren portefeuille.

Een medewerker van de club begroette hem en wees naar een vertrek verderop. Alfred knikte. “Dank u.” Hij liep door de gang, langs portretten van mannen wier namen hem vaag bekend voorkwamen, en opende de deur. Het vertrek was kleiner dan de salons aan de voorzijde. Donkere houten lambrisering liep langs de muren en een olielamp op het bureau verspreidde een warme kring over het groene schrijfblad. Op een bijzettafel stonden een karaf water en enkele glazen. Achter de gesloten gordijnen drong het geluid van Parijs gedempt naar binnen.

Alfred ging zitten en legde de portefeuille voor zich neer. Hij maakte het leren bandje los en haalde enkele vellen papier tevoorschijn. Hij kende de inhoud. Hij had de woorden gelezen, veranderd, opnieuw laten formuleren en daarna weer gelezen. Toch begon hij bovenaan. Fabrieken, laboratoria, patenten, aandelen en belangen verspreid over verschillende landen verdwenen in enkele alinea’s. Een leven van reizen, onderhandelen, experimenteren, mislukken en opnieuw beginnen lag voor hem teruggebracht tot bepalingen, bedragen en namen. Alfred schoof zijn bril hoger op zijn neus en las langzaam verder.

Het grootste deel van zijn vermogen moest na zijn dood worden omgezet in veilige waardepapieren. De opbrengst daarvan zou ieder jaar worden verdeeld onder degenen die in het voorafgaande jaar de mensheid het grootste voordeel hadden gebracht. Zijn vinger volgde de regels. Natuurkunde. Scheikunde. Geneeskunde. Literatuur. En ten slotte vrede. Daar bleef hij hangen.

Vanuit de kamer naast hem klonk gelach. Iemand vertelde luid een verhaal dat Alfred niet kon verstaan. Een glas werd neergezet, een stoel verschoof. Alfred nam zijn bril af en wreef met twee vingers over zijn ogen. Hij dacht aan Emil. Niet aan de explosie zelf, maar aan de tijd ervoor. Aan een naam in een oud werkboek. Aan een broer die ergens in een werkplaats stond en vanzelfsprekend onderdeel was van de volgende dag, totdat die volgende dag zonder hem kwam.

Daarna zag hij een tunnelopening in een bergwand. Arbeiders die wachtten tot het stof was neergedaald. De brief uit Baku en de mannen die juichten toen het gesteente bezweek. Op zijn bureau in Sevran-Livry had naast die brief een andere bestelling gelegen. Andere hoeveelheden. Een andere bestemming. Het materiaal was hetzelfde.

Er werd zacht op de deur geklopt. Alfred keek op. “Binnen.” Twee mannen kwamen het vertrek binnen. Hij kende hen van de club. Ze waren gevraagd aanwezig te zijn bij de ondertekening en namen plaats nadat Alfred hen had begroet. Een van hen keek naar de papieren op het bureau en daarna naar Alfred. “Is dit het document?” Alfred knikte. “Ja.” De man trok zijn stoel iets dichterbij. “En dit is werkelijk hoe u het wilt vastleggen?” Alfred legde zijn hand op het testament. “Ja.”

De mannen bogen zich over de papieren. Alfred stond op en liep naar het raam. Hij schoof het gordijn een stukje opzij. Regen liep in dunne banen over het glas. Aan de overkant hield een rijtuig stil en een vrouw stapte uit terwijl een bediende een paraplu boven haar hoofd hield. Verderop rende een jongen door de regen met een stapel kranten onder zijn arm. Alfred bleef naar hem kijken.

Zeven jaar eerder had ergens in dezelfde stad een krant op een ontbijttafel gelegen. Le marchand de la mort est mort. Zijn naam had eronder gestaan. Alfred Nobel. Hij herinnerde zich niet meer hoe de koffie die ochtend had gesmaakt. Wel hoe het kopje tegen het schoteltje had getikt.

“Mijnheer Nobel?”

Alfred liet het gordijn los en draaide zich om. “Wij zijn zover.” Hij keerde terug naar het bureau en ging zitten. Voor hem lagen de laatste regels van het testament. Hij las ze nog eenmaal. Zijn hand bleef op de rand van het papier liggen. Vanuit de salon klonk opnieuw gelach.

Alfred pakte de pen. Zijn hand trilde. Hij hield haar enkele ogenblikken boven het papier en legde de pen toen weer neer. Een van de mannen keek op, maar zei niets. Alfred nam het glas naast hem, dronk een slok water en zette het voorzichtig terug. Daarna pakte hij de pen opnieuw. De punt raakte het papier. Hij schreef langzaam, letter voor letter.

Alfred Bernhard Nobel.

Toen hij klaar was, bleef zijn hand nog even naast zijn naam liggen. De inkt glansde zwart in het licht van de lamp. De getuigen zetten daarna hun handtekeningen. Een stoel schoof over de vloer. Iemand draaide de dop op de inktpot en de papieren werden voorzichtig bij elkaar gelegd. Er werden enkele zakelijke woorden gesproken over bewaring en afhandeling.

Na enkele minuten stonden de mannen op. “Goedenavond, meneer Nobel.” “Goedenavond.” De deur viel achter hen dicht. Alfred bleef alleen achter. Vanuit de salon klonken stemmen en het zachte rinkelen van glazen. Buiten reed een koets door de regen. Verderop riep de krantenjongen nog altijd zijn avondbladen uit.

Alfred keek naar het testament. Zeven jaar geleden had hij zijn naam in een krant zien staan. Nu stond diezelfde naam opnieuw voor hem.

Alleen was de inkt deze keer nog niet droog.

Door: Linda Schoonebeek.
De Wachter.


Historische noot

Deze scène is een literaire verbeelding, gebaseerd op de gedocumenteerde gebeurtenis van 12 april 1888, toen Alfred Nobels broer Ludvig in Cannes overleed en een Franse krant hem abusievelijk voor Alfred aanzag. De exacte bewoording van dat krantenbericht wordt door sommige historici betwist, de meest gangbare, dramatische versie (“Le marchand de la mort est mort”) wordt door de meeste biografen aangehaald als de vermoedelijke aanleiding voor zijn testament van 1895, waarin hij de Nobelprijs instelde.