Terug naar site

Nobel. Deel II - Bij Parijs, oktober 1888

Het laboratorium in Sevran-Livry rook na al die jaren nog altijd naar zwavel, koude as en natte aarde. Het was een scherpe, minerale lucht die Alfred nauwelijks meer opmerkte. Hij droeg haar mee in de plooien van zijn jas, in zijn haar en onder zijn vingernagels. Buiten lag oktober over de velden. Regenwater stond in de lage gedeelten van het terrein en tegen de ramen tikten nu en dan druppels die door de wind uit de kale bomen werden geblazen.

Zes maanden waren verstreken sinds de ochtend waarop Alfred zijn eigen dood in de krant had gelezen. Hij sprak er zelden over. Op zijn zware werktafel stonden glazen kolven en maatcilinders tussen stapels papier, berekeningen en haastig getekende ontwerpen. Een olielamp wierp een kleine kring licht over het hout. Zijn assistent kwam binnen met een dikke envelop. “Voor u, meneer Nobel.”

Alfred keek naar het poststempel. Baku. Hij draaide de envelop om. De naam op de achterzijde herkende hij. Sven, een jonge Zweedse ingenieur die betrokken was bij werkzaamheden rond de olievelden waar zijn broers hun onderneming hadden opgebouwd. Alfred brak het rode lakzegel.

De brief was lang. Sven schreef over modder, steen en machines die voortdurend gerepareerd moesten worden. Over arbeiders die bij zonsopkomst begonnen en pas ophielden wanneer het licht boven de velden verdween. Halverwege bleef Alfred hangen bij enkele regels. “We zijn door de rotswand heen.”

Hij schoof zijn bril iets hoger. Sven beschreef hoe een doorgang die maanden werk had kunnen kosten in korte tijd was vrijgemaakt. Er zou een spoorverbinding komen. Materieel kon worden aangevoerd. Mensen en goederen zouden zich sneller door het gebied kunnen verplaatsen. Onderaan stond: “U zou de mannen hier moeten zien wanneer het gesteente valt. Daarna is het enkele ogenblikken volkomen stil. En dan beginnen ze te juichen.”

Alfred las die laatste zin opnieuw en legde de brief neer. Heel even zag hij geen laboratorium meer. Hij zag Heleneborg. Een ochtend van jaren geleden. Emil die nog leefde. De werkplaats. Een beweging. Daarna een klap die geen herinnering meer nodig had om hoorbaar te zijn. Sommige geluiden verlieten een mens nooit.

Alfred stond op en liep naar een kast aan de andere kant van het vertrek. Daar lagen oude schriften die hij vrijwel nooit meer opende. Hij trok er één uit. Tussen berekeningen en formules stond Emils naam een paar keer in zijn handschrift. Niet plechtig. Gewoon zoals namen terechtkomen in werkboeken wanneer iemand naast je staat en onderdeel is van de dag. Alfred streek met zijn duim over de vergeelde bladzijde. Daarom was hij doorgegaan. Niet om explosies groter te maken. Om ze te beheersen. Maar beheersing bleek een merkwaardig woord zodra een uitvinding het laboratorium verliet.

Hij sloot het schrift en keerde terug naar zijn bureau. Naast Svens brief lag een ander document dat eerder die week was aangekomen. Een bestelling. Andere aantallen. Andere bestemming. Alfred wist waarvoor. Hij legde de twee papieren naast elkaar. Op het ene vel stond een spoorlijn. Op het andere hoefde niets te staan. Het materiaal was hetzelfde.

Alfred bleef lange tijd naar beide documenten kijken. Toen trok hij een leeg vel naar zich toe en doopte de pen in de inkt. “Beste Sven,” schreef hij. Een druppel verzamelde zich aan de punt van de pen. “Uw brief heeft mij meer gedaan dan u waarschijnlijk vermoedt.” Alfred keek naar het oude schrift dat nog naast hem lag. “Bewaar dat moment waarop de mannen juichten wanneer u kunt. Een mens vergeet gemakkelijk waarvoor hij iets begon.”

Hij hield op met schrijven. Buiten trok de wind over het veld. Ergens tegen de buitenmuur sloeg een los stuk metaal zacht heen en weer. Alfred keek opnieuw naar de twee documenten. Een spoorlijn. Een bestemming die hij liever niet benoemde.

Hij had jarenlang gedacht dat beheersing betekende dat een explosie plaatsvond waar en wanneer men dat wilde. Langzaam begon hij te begrijpen dat er iets bestond wat geen enkele formule kon beheersen. Wat mensen daarna met de kracht deden die je hun had gegeven.

Hij schreef de brief af, strooide zand over de natte inkt en wachtte. Daarna vouwde hij het papier in drieën en drukte zijn zegel in het warme lak. Zijn hand bleef er nog even op rusten. Buiten zakte de herfstavond over Sevran-Livry.