Het ochtendlicht viel schuin door de hoge, gepatineerde raampartijen van het appartement aan de Avenue Malakoff. Een trage, goudgele strook trok over het smetteloze damast van de eettafel, gleed langs de zilveren koffiepot waaruit nog een dunne spiraal van damp opsteeg en eindigde bij de stapel post die de bediende met uiterste precisie naast het bord van zijn werkgever had neergelegd. Alfred zat stil, zijn rug kaarsrecht zonder de leuning te raken. Zoals op vrijwel iedere ochtend waarop hij niet al voor de dageraad in zijn rijtuig zat richting het laboratorium in Sevran-Livry. Zijn baard, waarin het grijs het stugge zwart inmiddels had overvleugeld, was zorgvuldig gekamd. De stijve kraag van zijn overhemd zat tot de bovenste knoop gesloten. Het grote appartement was stiller geworden naarmate hij ouder werd. Soms leek het alsof rijkdom vooral betekende dat de kamers groter werden en de stemmen verder uit elkaar kwamen te liggen.
Hij had zijn vermogen opgebouwd met stoffen die nauwelijks ruimte innamen en toch hele rotswanden konden breken. Stoffen die wegen mogelijk maakten waar eerst bergen lagen, tunnels waar steen had gezeten, spoorlijnen door gebieden die jarenlang onbereikbaar waren geweest. Maar Alfred kende ook de andere kant. Twintig jaar eerder had een explosie in de proeffabriek bij Heleneborg zijn jongere broer Emil gedood. Sindsdien was er nauwelijks een dag voorbijgegaan waarop Alfred niet had geprobeerd het onberekenbare berekenbaar te maken. Nitroglycerine moest gehoorzamen. Explosies moesten gestuurd kunnen worden. Gevaar moest een maat krijgen. Inmiddels stonden honderden patenten op zijn naam.
Met een ingesleten beweging pakte hij de krant van de stapel en vouwde hem open. Zijn blik gleed over de voorpagina, tot zijn hand stilviel. Le marchand de la mort est mort. De koopman des doods is dood.
Hij las de regel nogmaals. Daaronder stond zijn naam. Niet die van zijn broer Ludvig, die in Cannes was overleden. Zijn naam. Alfred Nobel. De krant schreef over een man die een fortuin had verdiend aan explosieven. Over vernietiging die efficiënter was geworden. Over een vermogen dat groeide terwijl de mens steeds betere manieren vond om elkaar te doden. Alfred bracht zijn koffiekopje naar zijn mond, maar zette het weer neer voordat het zijn lippen raakte. Het porselein tikte zacht tegen het schoteltje. Hij las verder. Geen tunnels, geen spoorlijnen, geen mijnwerkers, geen rotswanden. Ook Emil niet. Alleen een man die dood was en in enkele regels werd teruggebracht tot wat de wereld van hem had onthouden.
Toen Alfred merkte dat zijn vingers trilden, legde hij zijn hand vlak op het damast. De bediende kwam geruisloos binnen om de post verder te ordenen. Hij zag de krant en bleef staan. “Meneer Nobel? Is er iets?” Pas na enkele ogenblikken keek Alfred op. “Mijn broer is gestorven.” De bediende boog zijn hoofd. “Gecondoleerd, meneer.” Alfred keek opnieuw naar de krant. “Maar zij denken dat ik het ben.” De bediende aarzelde. Alfred draaide het papier om en schoof het over de tafel naar hem toe. “Ze hebben alvast opgeschreven wie ik geweest ben.” Er lag geen woede in zijn stem. Dat verbaasde hem zelf misschien nog het meest.
Alfred schoof zijn stoel naar achteren. Het hout schraapte over het parket. Met de krant in zijn hand liep hij naar het hoge raam. Beneden trokken rijtuigen over de Avenue Malakoff. Een vrouw hield haar rok iets omhoog terwijl ze de straat overstak. Een koetsier boog voorover en riep iets naar een jongen die tussen twee wagens door rende. Verderop werd een winkel geopend. Parijs ontwaakte. Alfred legde twee vingers tegen het glas.
Hij dacht aan een tunnel waarvan hij jaren eerder tekeningen had gezien. Aan mannen die diep onder een berg hadden gewerkt en na iedere ontploffing terugkeerden om het losgeslagen gesteente weg te dragen. Hij dacht ook aan andere berichten. Aan bestellingen waarvan hij wist wie ze plaatste. Aan mensen die voor dezelfde stoffen andere bestemmingen hadden gevonden. Hij had zichzelf vaak verteld dat een uitvinding geen geweten bezat. Dat staal niet wist of het een brug droeg of tot een geweer werd gesmeed. Dat buskruit niet kon kiezen waar het ontplofte. Die ochtend klonk die gedachte anders.
Achter hem dampte de koffie niet meer. Alfred vouwde de krant dicht. Traag, naad voor naad, alsof zorgvuldigheid nog ergens verschil kon maken. Daarna bleef hij voor het raam staan. Voor het eerst had hij kunnen lezen wat er van een mensenleven overbleef wanneer degene die het geleefd had, niet meer aanwezig was om er iets aan toe te voegen.