Terug naar site

Drie Vrienden


Ik ben er meestal als eerste.

Ik neem de tram richting het centrum, stap uit bij het Leidseplein en loop de laatste tien minuten door straten die steeds chiquer worden. Het verbaast me elke keer weer. Ik noem het stille rijkdom: hogere ramen, warmere verlichting, mensen die nergens haastig lijken, zelfs wanneer ze haast hebben.

Er komt een glimlach op mijn gezicht. Ik heb ook geen haast, zeg ik tegen mezelf. Ik sla de hoek om, en net voorbij het bruggetje moet ik zijn.

Dit café heeft een Franse naam die ik nooit goed kan uitspreken, maar iedereen noemt het gewoon ‘bij Jean Paul’, naar de eigenaar die eruitziet alsof hij rechtstreeks uit een Parijse film is gestapt.

We zitten altijd aan dezelfde tafel. De derde rij vanaf de bar, elke tweede donderdag om zes uur ’s avonds, alsof het in onze agenda’s is gebeiteld. Misschien is dat ook wel zo. Lars en Sophie hebben van die agenda’s die zichzelf synchroniseren met de cloud, hun horloge en waarschijnlijk zelfs hun koffiezetapparaat.

Ik bestel een Stella Artois, neem plaats aan onze tafel en neem een klein slokje van mijn bier. Ik kan echt genieten van zo’n biertje in een kelkglas.

De gracht ligt er in deze tijd van het jaar verlaten bij. In de zomer blijft het licht daar langer op het water hangen, nu drijven er alleen nog natte bladeren langs de kade. Een stoel schuift over de houten vloer terwijl ik luister naar gedempte stemmen die net buiten verstaanbaarheid blijven.

Sophie arriveert precies om zes uur, niet vijf over, niet vijf voor.

Ze heeft haar VanMoof vastgezet aan de lantaarnpaal. Elektrisch, mat antraciet, alsof hij door NASA is ontworpen. Die fiets is zo duur dat ik hem alleen met mijn ogen durf aan te raken.

Haar jas is van camelkleurige wol, met een snit die zo simpel lijkt dat je meteen weet dat hij duur is. Haar tas, een zachte leren schoudertas in cognackleur, kost meer dan mijn huur, maar ze draagt hem alsof het een Zeeman shopper is, nonchalant over haar schouder gegooid.

‘Thomas!’

Ze glimlacht meteen wanneer ze me ziet. Dat is altijd hetzelfde gebleven aan Sophie. Net als vroeger, wanneer ze me op het schoolplein zag aankomen met nat haar van de regen en een rugzak die altijd te zwaar leek.

Ze buigt zich naar voren voor een omhelzing. Haar parfum ruikt warm en duur, zonder nadrukkelijk aanwezig te zijn. Haar kapsel ziet eruit alsof ze er niet over heeft nagedacht, terwijl je weet dat ze waarschijnlijk gewoon YouTube tutorials heeft gekeken.

‘Ben ik op tijd?’ vraagt ze terwijl ze gaat zitten. ‘Een senior associate wilde ineens nog van alles aanpassen voor een presentatie morgenochtend.’

Ze rolt met haar ogen, maar onder die ergernis hoor je de trots al doorklinken. Je ziet de opwinding in haar gezicht.

Ze is junior associate bij Houthoff, een van die kantoren met glazen gevels en kunst in de lobby die niemand begrijpt, maar die iedereen prachtig vindt. Ze werkt zeventig uur per week, verdient in drie maanden wat ik in een jaar verdien, en straalt een energie uit die zegt: dit ben ik, dit is mijn leven, en ik heb hiervoor gekozen.

Ze legt haar telefoon naast zich neer en draait hem met het scherm naar beneden. Dat kleine gebaar ontroert me meer dan het zou moeten.

‘Doe maar weer die Sancerre,’ zegt ze tegen de serveerster.

Niet gemaakt. Niet elitair. Gewoon iets dat inmiddels vanzelfsprekend voor haar is geworden.

Even kijken we samen naar buiten. Regenwater schuift langzaam langs het raam omlaag. Aan de overkant van de gracht branden warme lampen achter hoge ramen.

‘Hoe was je dag?’ vraagt ze.

‘Rustig.’

Er loopt een jong stelletje voorbij. We volgen ze allebei even met onze blik. We kijken elkaar aan.

‘Wat?’ zegt Sophie, op een toon die ik zo goed van haar ken.

Aan de overkant zie ik een auto langzaam inparkeren. Lars, natuurlijk precies op tijd. Hij pakt de allerlaatste plek in de straat. Hij loopt het bruggetje over op een manier die me doet denken aan iemand die het gevoel heeft dat de hele wereld speciaal voor hem is gereserveerd, alsof hij zo uit een duur modeblad is weggelopen.

Zijn broek is iets wat ze een chino noemen, en zijn sneakers zijn Veja’s. Duurzaam geproduceerd, vertelde hij me ooit, alsof dat rechtvaardigt dat ze een klein vermogen kosten.

‘Wat een dag.’

Hij laat zich op zijn stoel vallen alsof hij onderweg hierheen nog ergens een crisis heeft opgelost.

‘Nieuwe klant,’ zegt hij terwijl hij zijn jas over de stoel hangt. ‘Fintech. Willen alles tegelijk. Nieuwe branding, campagne, redesign, app, de hele identiteit.’

Hij praat met zijn handen, zoals hij vroeger ook al deed wanneer hij een verhaal vertelde. Alleen gaan zijn verhalen nu niet meer over leraren of vakanties, maar over hectische pitches en miljoenenbudgetten.

Sophie lacht zacht. ‘Dat zeggen ze altijd.’

Lars werkt bij DEPT, waar alles wit en industrieel is en de gemiddelde leeftijd zesentwintig lijkt. Ze hebben een pingpongtafel op kantoor en een wijnvrijdag, bijeenkomsten die ‘stand ups’ heten terwijl iedereen zit, en sneakers die tweehonderd euro kosten maar eruitzien alsof ze bij de stort zijn gevonden.

‘Wat drink je?’ vraagt Sophie, terwijl al haar aandacht nu naar Lars gaat. Hun werelden raken elkaar in dit soort gesprekken over klanten, deadlines en creatieve uitdagingen waar ik niets van begrijp.

‘Oeh, doe maar die nieuwe IPA van die lokale brew collective. Die uit de Haarlemmerbuurt, weet je wel? Dat biertje dat ze alleen op donderdag brouwen of zoiets.’

Lars kijkt naar de serveerster met die verwachtingsvolle glimlach van iemand die gewend is dat zijn wensen worden ingewilligd.

De serveerster knikt. Natuurlijk weet ze precies welke hij bedoelt.

Ik neem een slok van mijn bier.

Terwijl hij praat, merk ik hoe makkelijk hij zich inmiddels binnen die wereld beweegt. Alsof hij er altijd al heeft thuis gehoord. De woorden komen snel. Concept decks. Klanten die ineens naar Berlijn willen vliegen voor een brainstorm, alsof dat de normaalste zaak van de wereld is.

Ik begrijp nooit zo goed waarom mensen voor een brainstorm naar Berlijn vliegen.

En toch luister ik graag naar hem.

Misschien omdat Lars overal een verhaal van weet te maken. Zelfs een vergadering klinkt bij hem alsof er ergens een avontuur is begonnen.

We doen wat we altijd doen: de afgelopen twee weken doornemen alsof het afleveringen zijn van een serie waarin we allemaal meespelen, ieder met zijn eigen verhaallijn.

Sophie vertelt over een rechtszaak, iets ingewikkelds met intellectueel eigendom en een techgigant die een startup beschuldigt van patentinbreuk. Ze gebruikt woorden als ‘jurisdictie’, ‘precedent’ en ‘discovery fase’, terwijl haar handen door de lucht dansen wanneer ze praat.

‘En dan blijkt dat ze in 2019 al een prototype hadden, dus hun hele claim van first to market is eigenlijk bullshit. 'Maar dat moeten we natuurlijk wel netjes formuleren in de pleitnota.’

Ze lacht en neemt een slok van haar tweede Sancerre.

‘De partner zei gisteren dat dit mijn zaak kan worden als ik het goed speel. 'Kan betekenen dat ik eerder associate word.’

Het eten komt. Buiten is het inmiddels donker geworden.

Sophie heeft iets met geitenkaas en biet besteld. Lars een burger op een broodje dat eruitziet alsof iemand er lang over heeft nagedacht.

De serveerster zet mijn steak tartare neer en schenkt mijn tweede Stella in. Ze doet het met een Franse precisie, schuin in het kelkglas, alsof dit pilsje met het gouden randje net zoveel status heeft als de Sancerre van Sophie.

Ik knik haar dankbaar toe.

Lars fluit zacht.

‘Dat is groot, Soof. Echt groot. Wanneer wordt dat beslist?’

‘Ergens volgend voorjaar, denk ik. 'Maar eerst moet deze zaak gewonnen worden.’

Ze straalt. Dit is haar leven, haar missie, haar bewijs dat ze het heeft gemaakt.

Lars vertelt over zijn klanten, over pitches die hij heeft gewonnen van grotere agencies. Over hoe hij met zijn team een campagne heeft bedacht die ‘echt viraal ging’ op TikTok. Vijf miljoen views, zegt hij, alsof dat inmiddels een meetbare valuta is.

Over het appartement dat hij en Nina hebben bekeken in de Jordaan. Nog niet gekocht, verbetert hij zichzelf meteen, want ze zitten nog in de bieding. Maar het is wel hun droomhuis: drie kamers, originele balken, een dakterras met uitzicht op de Westerkerk.

‘Tweeënhalf ton boven de vraagprijs moeten we gaan, denk ik,’ zegt hij. Hij zegt het op dezelfde manier waarop ik zou praten over de aankoop van een nieuwe jas. ‘Maar de hypotheek moet lukken met onze inkomens. Nina is nu senior geworden bij dat consultancy ding van haar, dus samen trekken we een mooi salaris.’

Ik kijk op. ‘Voor tweeënhalf ton koop je in mijn geboortedorp een heel huis, inclusief oprit,’ zeg ik met een glimlach.

Lars lacht en slaat me op mijn schouder. ‘Ja, maar daar heb je geen uitzicht op de Westertoren, Thom.’

‘En geen Jean Paul die de deur voor je opendoet,’ vult Sophie aan, terwijl ze een stukje geitenkaas met biet aan haar vork prikt.

Ze lacht, maar haar blik blijft zacht. Er zit geen greintje minachting in haar stem. Ze houden van mijn nuchterheid.

Nieuwe mensen komen binnen. Andere vertrekken weer. Glazen worden vervangen. De kaarsen op tafel branden langzaam lager.

Lars wrijft even door zijn gezicht, leunt achterover en kijkt me dan recht aan. De hectiek van de dag lijkt langzaam van zijn gezicht te glijden.

‘Thom, hoe waren jouw afgelopen veertien dagen? Nog wat beleefd?’

Ik neem een slok van mijn Stella en zet het kelkglas rustig neer.

‘Weinig geks,’ zeg ik. ‘Gewoon lekker gewerkt. Een paar goede boeken gelezen. Zondag nog een lange wandeling gemaakt voordat het begon te regenen.’

Ik glimlach even.

‘Toen ik terugkwam heb ik de buurvrouw nog geholpen met een paar kleine dingen die ik haar beloofd had te doen. We hebben samen koffie gedronken. Verder eigenlijk een lekker rustig weekend.’

Lars knikt instemmend. Heel even zie ik een blik in zijn ogen alsof hij stiekem verlangt naar een leven waarin ‘rustig’ überhaupt een optie is.

‘Heerlijk man,’ zegt hij oprecht. ‘Houden zo.’

Het eten is fantastisch. De steak tartare is perfect op smaak en de frietjes zijn goudgeel en knapperig.

Terwijl we eten, verschuift het gesprek langzaam naar andere dingen.

Sophie vertelt over een date die haar collega laatst had via een app voor hoogopgeleiden. "Ja, die bestaat blijkbaar", zegt ze lachend. Alleen mensen met een master worden toegelaten.

Lars vertelt over de nieuwe yogastudio die bij hem om de hoek is geopend. Hot yoga, zeventig euro per maand, maar Nina is er helemaal weg van.

Ik luister en geniet.

Buiten is de regen gestopt. De natte klinkers langs de gracht glimmen in het licht van de lantaarnpalen.

Jean Paul komt zelf langs en legt met een subtiel knikje een klein zwart mapje op de hoek van de tafel. De rekening.

Het is het moment waarop de twee werelden aan tafel elkaar altijd heel even raken, maar nooit pijnlijk worden.

Lars grijpt al naar zijn binnenzak, maar Sophie is hem voor. Ze pakt het mapje met een vloeiende beweging en legt haar glanzende metalen bankpas erop.

‘Ik doe deze,’ zegt ze beslist.

Lars opent zijn mond om te protesteren. Zijn fintech trots glimt even in zijn ogen, maar Sophie steekt haar hand op.

‘Nee, Lars. Vorige keer deed jij het na die gewonnen pitch.’

Ze kijkt naar mij.

‘En Thomas heeft ons net mentaal gered van de Amsterdamse huizenmarkt.’ Ze knipoogt.

We hebben dit stadium jaren geleden al overgeslagen. Vroeger telden we guldens en later euro’s op de achterkant van een bierviltje, nu dragen zij de avond als het financieel zo uitkomt. Het heeft niets met liefdadigheid te maken, maar met de code van onze vriendschap: we delen wat we hebben, zolang we er maar allemaal zijn.

‘Volgende keer is voor mij,’ zeg ik, terwijl ik het laatste restje schuim van mijn Stella opdrink. ‘Bij de cafetaria in mijn dorp. Inclusief oprit.’

Lars lacht luid en gooit zijn hoofd achterover.

‘Deal, Thom. Maar alleen als ze daar ook bier in een kelkglas hebben.’

We staan op. Lars trekt zijn designjas aan, Sophie slaat haar camelkleurige mantel om haar schouders. Als we naar buiten stappen, snijdt de koude herfstlucht meteen door onze kleding heen.

We nemen afscheid van elkaar. Lars geeft me een omhelzing en een schouderklopje.

‘Pas goed op jezelf, Thom.’ Sophie geeft hij een dikke knuffel.
‘We zien elkaar. Tot over veertien dagen.’

Sophie omhelst me lang.,‘Gaat het echt goed met je?’ vraagt ze.
Ik knik. Ze kijkt me aan zoals ze altijd kijkt wanneer het om mij gaat: bezorgd, maar warm.

‘Ik kijk altijd uit naar deze avond, Thomas,’ gaat ze verder. ‘Het is een soort anker in normaal zijn.’

Ik druk Sophie nog een keer tegen me aan.

In de tram laat ik de avond in gedachten nog eens voorbijgaan, totdat het trillen van mijn telefoon me uit mijn gedachten haalt.

Onze groepsapp, die nog steeds ‘De Drie Musketiers’ heet, een naam die Lars bedacht toen we vijftien waren en dachten dat we grappig waren.

Sophie heeft een foto gestuurd van haar wijnglas dat het licht vangt. Lars heeft zijn halve burger gefotografeerd, artistiek van opzij.

Ik typ: ‘Het was gezellig vanavond,’ en voeg een bierglas emoji toe.

Lars reageert met een duim omhoog.

Sophie met een rood hartje.

Door Carolette Meran‑Davriel.
Culturele Salon.