Xi Shi stond op de vlonder boven het bassin toen zij het geluid voor het eerst hoorde, niet het gebruikelijke geroezemoes van het paleis, de bedienden, de muziek uit de verre zalen, de soldaten door de gangen, maar iets dieper, iets dat door de grond zelf leek te trillen voor het de lucht bereikte, zoals het geluid van een onweer dat nog te ver weg is om te zien maar al wel te voelen is onder de voeten. Zij bleef stilstaan, haar enkelbanden voor het eerst in jaren zwijgend, terwijl het water onder haar lichtjes rimpelde, alsof het bassin het al had gevoeld voor zij het zelf had begrepen.
Een dienstmeisje kwam aanrennen door de tuin, tussen de pioenrozen door zonder acht te slaan op de takken die aan haar mouwen trokken, haar gezicht wit, haar woorden struikelend over elkaar voor zij er goed uit kwamen. "De muren, mevrouw. De muren aan de noordzijde. Yue is binnen. Men zegt dat de poort al is gevallen."
Xi Shi keek niet naar het meisje. Zij keek naar het water onder zich, naar haar eigen spiegelbeeld dat langzaam uiteenviel in de rimpelingen die de trillingen van verre voeten en instortende balken over het oppervlak stuurden, en voor het eerst in twintig jaar wist zij niet welk gezicht zij zou moeten tonen, niet het gezicht dat Fuchai had leren kennen, niet het gezicht dat Fan Li ooit langs de rivier had gezien. In al die jaren van onderricht in muziek en dans en het verbergen van haar eigen gedachten was er nooit een les geweest voor deze dag.
Het dienstmeisje wachtte, haar handen wringend, tot Xi Shi eindelijk knikte, nauwelijks merkbaar, en zich omdraaide om het paleis in te lopen, niet naar haar eigen vertrekken, maar naar het terras aan de oostzijde, waar zij wist dat zij hem zou vinden.
Fuchai stond daar alleen, zijn rug naar de deur gekeerd, zijn blik gericht op de rook die inmiddels in dikke, grijze zuilen boven de daken van de stad opsteeg, hier en daar oranje gekleurd door vlammen die van deze afstand nog geluidloos leken. Hij droeg niet langer het gewaad waarin zij hem gewend was te zien, maar een eenvoudiger, donkerder kledingstuk, alsof hij zich, ergens in de uren voor haar komst, al had voorbereid op wat er zou volgen.
Hij keek niet om toen zij naderde, en zij bleef op enige afstand staan, dezelfde afstand, merkte zij, die zij twintig jaar geleden had aangehouden toen zij hem voor het eerst had ontmoet, aarzelend over de vraag of zij dichterbij mocht komen, of dat de afstand zelf al een vorm van eerbied was die van haar werd verwacht.
"Ga," zei hij ten slotte, zijn stem vlakker dan zij hem ooit had gehoord, zonder zich om te draaien. "Neem een dienaar mee, en wat u dragen kunt. Er is geen tijd meer voor meer dan dat."
"En u?" vroeg zij zacht.
Fuchai zei lange tijd niets. Hij bleef naar de rook kijken, zijn handen los langs zijn lichaam, en in dat zwijgen hoorde zij een antwoord dat hij haar nooit met woorden zou geven, dat hij, zodra zij vertrokken was, naar de berg zou gaan waar geen weg meer terug bestond, dat hij daar, omsingeld, een doek voor zijn gezicht zou binden voor hij zichzelf met zijn eigen zwaard zou doorsteken, uit schaamte tegenover een oude raadsheer wiens ogen, jaren geleden, op zijn eigen bevel boven de stadspoort waren opgehangen, en die hij, tot dit laatste, onafwendbare moment, nooit had kunnen vergeten, hoe hij ook zijn best had gedaan.
"U hebt mij nooit iets gevraagd," zei hij plotseling, alsof de gedachte hem nu pas, te laat, inviel. "In al die jaren. Ik heb u nooit horen vragen om iets voor uzelf."
Xi Shi antwoordde niet meteen. Zij dacht aan de vraag die zij ooit, jaren geleden, aan Fan Li had gesteld, in een kamer met een laag brandende kaars, en aan het antwoord dat hij haar nooit had kunnen geven.
"Misschien," zei zij ten slotte, "was dat nooit aan mij om te doen."
Zij liet hem daar achter, zijn blik nog altijd op de rook gericht, en liep terug naar de vlonder boven het bassin, om nog één laatste keer te horen hoe het water klonk onder haar voeten, zoals het al die jaren had geklonken, onwetend van alles wat er in haar was omgegaan, telkens wanneer zij eroverheen liep, avond na avond, jaar na jaar.
Aan de rivieroever, voorbij de tuinmuur waar een kleine, houten poort zelden werd gebruikt, stond Fan Li bij een wachtende boot, dezelfde man die haar twintig jaar eerder tussen de bamboe had gadegeslagen zonder dat zij het wist, ouder nu, zijn gezicht getekend door twee decennia van geduld dat eindelijk, vandaag, zijn loon had gekregen.
Hij zei niets toen zij aan boord stapte, enkel een korte buiging van zijn hoofd, en duwde de boot van de oever af met een enkele, geoefende beweging. Zij keek niet meer om naar de stad achter hen, naar de rook, naar het paleis op de heuvel dat langzaam kleiner werd tot het niet meer was dan een vage schaduw tegen de avondlucht, oplossend in dezelfde schemering die ook de rivier voor haar ogen langzaam donkerder kleurde.
Xi Shi dacht, terwijl de boot stroomafwaarts gleed, geruisloos bijna, aan de vissen waarvan men ooit had gezegd dat zij naar de bodem zonken bij haar aanblik, en zij vroeg zich, voor het eerst sinds jaren, af of zij ooit werkelijk had geweten wie zij was geweest in al die tijd. Het meisje van de rivier, de geliefde van een koning, het wapen van een ander, of, misschien, uiteindelijk niet meer dan een vrouw in een boot, stroomafwaarts, op weg naar een plek zonder naam.
Goujian - koning van Yue
Fan Li - raadsheer van Goujian
Fuchai - koning van Wu
Wu Zixu - raadsheer van Fuchai
Bo Pi - raadsheer van Fuchai, omgekocht door Yue
Xi Shi - een van de Vier Schoonheden, legendarische vrouwen uit de Chinese geschiedenis, elk verbonden aan een beroemd verhaal waarin hun schoonheid een beslissende rol speelde in de politiek of het lot van een rijk.
Door: Walter Meijer & Linda Schoonebeek.Grensland.
Historische noot
De oorlog tussen de staten Yue en Wu is historisch goed gedocumenteerd in vroege Chinese bronnen als de Zuo Zhuan en de Guoyu. Koning Goujian van Yue versloeg koning Fuchai van Wu uiteindelijk in 473 v.Chr., na jaren van vernedering en geduldige voorbereiding. Dat deel van het verhaal staat vast.
Het personage Xi Shi zelf is minder zeker. Zij komt vooral voor in latere, deels legendarische teksten, met name de Wu Yue Chunqiu, geschreven eeuwen na de gebeurtenissen zelf. In de Chinese traditie geldt zij als een van de "Vier Schoonheden" van de oudheid.
Historici zijn het erover eens dat de kern van haar verhaal, dat Yue geschenken en gunsten gebruikte om Wu van binnenuit te verzwakken, en dat de trouwe raadsheer Wu Zixu stierf om zijn waarschuwingen daartegen, berust op werkelijke gebeurtenissen.
Of Xi Shi zelf ooit heeft bestaan, of dat zij een latere, symbolische verpersoonlijking van die strategie is, blijft onder sinologen echter onderwerp van discussie.