Tien jaar waren voorbijgegaan sinds die eerste avond, en de kleine kamer achter de drie deuren was voor Soro inmiddels vertrouwder dan zijn eigen woonkamer, vertrouwder zelfs dan de gezichten van zijn eigen kinderen, die hem vaak dagenlang niet zagen wanneer een bijzonder hardnekkige code zijn volle aandacht opeiste en de rest van de wereld voor hem ophield te bestaan.
Op de tafel voor hem lag, op deze derde april, een brief die twee dagen eerder was onderschept van een koerier op weg naar het noorden, een brief van kapitein Marcantonio Colonna, in dienst van de vijanden van Venetië in deze uitputtende oorlog om de Cambrai-liga, gericht aan niemand minder dan keizer Maximiliaan zelf. De oorlog sleepte inmiddels al jaren voort, steden wisselden van hand, bondgenootschappen braken en werden hersmeed, en in dat wisselvallige spel was ieder stuk papier dat onderschept kon worden een mogelijke wending.
De tekens op het perkament vormden geen enkel patroon dat Soro onmiddellijk herkende, geen van de gebruikelijke Milanese of Napolitaanse varianten, geen van de eenvoudige patronen die de meeste veldheren nog altijd gebruikten uit gemakzucht, vertrouwend op de traagheid van hun vijanden meer nog dan op de sterkte van hun eigen geheimhouding. Colonna, of wie de brief ook voor hem had opgesteld, had zich blijkbaar laten adviseren door iemand met meer vernuft dan het gemiddelde van een leger geleerde.
De eerste dag bracht niets dan frustratie. Soro telde letters, turfde ze in kolommen op een apart vel, zocht naar herhalingen, probeerde de gebruikelijke frequenties van het Italiaans op de tekst te leggen zoals een sleutel op een slot, en vond telkens weer dat het slot niet paste, dat er ergens een extra laag in de code verscholen zat die zijn gewone methoden omzeilde. Tegen de avond legde hij zijn pen neer, wreef in zijn ogen, en liep een kwartier door de kleine binnenplaats onder zijn raam, zonder dat het hem hielp.
De tweede dag begon hij opnieuw, ditmaal vanuit een andere veronderstelling: dat de brief niet zomaar in het Italiaans was opgesteld en dan gecodeerd, maar dat de schrijver zelf, uit voorzichtigheid, bepaalde woorden bewust anders had gekozen, wetend dat een geoefend oog als het zijne naar precies die frequenties zou zoeken. Hij begon de tekst opnieuw te ontleden, ditmaal op zoek naar wat er ontbrak, in plaats van naar wat er stond.
Hij at nauwelijks die dagen, sliep enkele uren op een smalle bank die de Raad speciaal voor hem in de kamer had laten plaatsen, en werd tegen de avond van de vierde dag wakker gehouden door één enkele gedachte die maar door zijn hoofd bleef malen: Geld. Ergens in de brief verscholen, moest naar zijn overtuiging centraal staan, geen enkele veldheer schreef in oorlogstijd een lange brief aan zijn keizer zonder ergens de vraag om geld, om voorraden, om soldij voor manschappen die, zonder betaling, hun trouw snel vergaten.
Op de vijfde dag, de zevende april, vond hij het eerste breekpunt: een herhaald patroon van vier tekens, telkens op ongeveer dezelfde afstand van elkaar terugkerend, dat hij, na uren van gissen en verwerpen, durfde te interpreteren als het woord voor Zwitsers, de huurlingen waarvan heel Europa wist dat zij, zodra hun soldij uitbleef, zonder gewetenswroeging het slagveld verlieten en naar huis marcheerden, ongeacht wat er met hun voormalige werkgever gebeurde.
Vanaf dat ene woord begon de rest zich te ontvouwen, langzaam eerst, dan sneller, zoals een net dat, eenmaal op de juiste plek doorgeknipt, in zijn geheel losraakt. De ochtend van de achtste april, met ogen die roodgerand waren van te weinig slaap, zag Soro de volledige tekst eindelijk voor zich openvallen: Colonna smeekte Maximiliaan om financiële steun, met de expliciete waarschuwing dat, indien het geld niet binnen acht dagen zou arriveren, zijn Zwitserse troepen hem zouden verlaten, en zijn hele positie zou instorten voor er ook maar één slag was geleverd.
Hij liet de secretaris onmiddellijk roepen, zijn stem schor van dagen zwijgen, en las hem de tekst voor, woord voor woord, met de nauwgezetheid van een man die weet dat elke fout in deze kamer zich kan vertalen in duizenden levens op een slagveld ver van hier, in beslissingen van generaals die op dit exacte document zouden vertrouwen.
De Raad zal dit vanavond nog moeten weten, zei de secretaris, zijn ogen wijd van wat hij zojuist had gehoord, zijn hand al naar de deur bewegend.
Soro knikte, en voelde, voor het eerst in dagen, de vermoeidheid als een golf over hem heen spoelen, nu het werk gedaan was, niet de voldoening van een overwinning, die zou pas later komen, wanneer de legers van Venetië, wetend dat hun vijand binnen dagen zonder huurlingen zou staan, hun aanval zouden plannen, maar de stille, uitgeputte rust van een man die zojuist iets onzichtbaars zichtbaar had gemaakt, en die, ergens diep in zichzelf, nog niet precies wist wat die zichtbaarheid zou gaan kosten aan de andere kant van het slagveld, aan mannen wier namen hij nooit zou kennen.