De winkel heeft geen naam. Er hangt geen bord boven de deur, alleen een koperen belletje dat al meer dan honderd jaar dezelfde toon speelt: een tikje vals, alsof het schor is geworden van de tijd. De grote winkelruit is beslagen, zomer en winter, zodat de voorbijgangers buiten enkel de warme, wazige goudgloed van de binnenruimte kunnen zien.
Het ruikt er naar oud papier, opgedroogde plantaardige inkt, een vleugje kaneel en de warme, nootachtige geur van smeltende beenderlijm.
In de hoek bij het raam staat de werkbank. Ik zit op mijn houten kruk met een fijn doekje in mijn hand. Zachtjes wrijf ik een druppel lijnolie over de dof geworden lederen rug van een overwoekerde atlas uit de achttiende eeuw. Met een klein beenhamertje tik ik de kneep van de band weer voorzichtig recht. Het is stil werk. Ambacht haast zich nooit; hout en papier dicteren hun eigen tempo.
De boeken op de hoge, donkere eikenhouten stellingen houden zich meestal rustig. Maar vandaag beweegt er iets. Boven op de hoogste plank schuift een dun, roodleren boekje met een droog schurend geluid een centimeter naar voren.
Ik kijk er niet meteen naar op. Zorgvuldig klem ik de atlas tussen de houten persblokken en draai de houten spindel aan tot het hout zachtjes zucht. Pas wanneer het lauwe middaglicht door het matte glas verandert in een diep amber, leg ik mijn gereedschap neer.
Ik loop naar de stelling. Precies op het moment dat ik mijn hand uitsteek, laat het rode boekje los. Het valt niet snel, maar zweeft bijna, alsof het de val overbrugt op de luchtstroom van de winkel. Ik vang het op in mijn handen en het klapt uit zichzelf open.
Het is mijn eigen boek.
Elke boekenhoeder krijgt er één, gebonden in de winter dat hij voor het eerst de drempel overstapt en besluit niet meer weg te gaan. Ik heb dit boek al meer dan honderd jaar niet opengeslagen.
Op de eerste bladzijde staat geen gedrukte tekst. Alleen een penseeltekening in Oost-Indische inkt die glimt alsof hij er zojuist op is gezet: een zomerveld vol hoog gras, een vrouw met een wapperende rok die lacht naar iemand buiten het beeld. Naar mij misschien. Ik herinner me haar gezicht niet meer scherp, maar wel de klank van haar stem toen ze haar hoofd achterover gooide omdat ik haar vertelde over een kikker die Frans sprak.
Ik sla de pagina om. Daar staat slechts één regel in mijn eigen, fijnzinnige handschrift:
Ik wachtte op haar tot de winkel me nodig had. Toen was zij weg, en de winkel bleef.
Een scherp geklingel van de koperen bel breekt de stilte.
Een meisje van een jaar of negen staat in de deuropening. Ze draagt een rode jas die twee maten te groot is, met de mouwen in dikke, ongelijke roltjes opgestroopt. Haar natte vlechten kleven tegen haar wangen.
‘Is dit de winkel die alles heeft?’ vraagt ze op een toon die geen ruimte laat voor twijfel.
‘Dat ligt eraan wat je zoekt,’ antwoord ik rustig vanaf mijn werkbank.
Ze stapt naar binnen. Haar laarsjes laten kleine plasjes regenwater achter op de brede vloerdelen. De eikenhouten planken, gewend aan bezoekers uit alle tijden, zuigen het vocht geluidloos op. Ze kijkt op naar de muren vol vergelende ruggen en fronst haar voorhoofd.
‘Waarom heeft uw winkel geen naam?’
‘Waarom zou hij er een moeten hebben?’ vraag ik.
‘Beantwoordt u altijd vragen met een vraag?’ Ze zet haar handen in haar zij en blijft bij de mat staan.
Ik leg de lijmkwast op de glazen schaal en bekijk haar aandachtig. ‘Alleen op de vragen die er echt toe doen.’
‘Ik zoek een boek voor mijn oma,’ zegt ze zachter. ‘Ze is heel erg ziek. Ze slaapt de laatste tijd alleen nog maar.’
‘En welk verhaal denk je dat haar kan wekken?’
‘Geen verhaal dat haar wekt,’ zegt ze plechtig, met de diepe ernst die alleen kinderen bezitten. ‘Een verhaal dat met haar meegaat. De dokter zegt dat de dagen op zijn. Maar de dromen duren toch voort? Die houden toch niet op.’
In mijn borstkas verschuift iets. Een klein, verroest raderwerkje dat in honderd jaar niet heeft gedraaid, tikt een slag verder.
Ik sta op en wenk haar mee de smalle gangpaden in. De kasten hier luisteren naar de bezoekers; als je haast hebt, lijken de paden kilometers lang, maar vandaag schuiven de schappen behaaglijk dicht bij elkaar. De boeken mogen het meisje.
Op een lage plank, precies op haar ooghoogte, ligt een boekje met een kaft van verweerd, korenbloemblauw linnen. Wanneer haar vingers het aanraken, klinkt er een zacht, diep gegons door de ruimte, zoals het zoemen van een bij in de namiddagzon.
‘Dit boek,’ zeg ik, ‘vertelt nooit tweemaal dezelfde geschiedenis. Het luistert naar de dromen van degene die het vasthoudt en geeft ze rustiger terug.’
Ze klemt het linnen tegen haar rode jasje. ‘Is het erg duur?’
‘Ik verkoop dit niet.’ Ik ga op één knie zitten, zodat we elkaar in de ogen kijken. ‘Ik leen het uit. Je brengt het terug als het niet meer nodig is.’
‘En als ik het nou nooit meer terugbreng?’
‘Dan wisten het boek en ik dat al voordat jij het wist.’
Er verschijnt een korte flits van een glimlach op haar gezicht. Ze draait zich om en rent naar de deur, haar te lange mouwen wapperend als vleugels. Bij de drempel staat ze stil.
‘Hoe heet u eigenlijk?’
‘Namen zijn hier een beetje zoals jassen,’ zeg ik. ‘Je hangt ze aan de kapstok en na een eeuw ben je vergeten welke van jou was. Noem me maar de Boekenhoeder.’
‘Dat is geen naam.’
‘Het is genoeg naam voor wie hier maar één keer komt.’
Ze knikt tevreden en verdwijnt de regen in.
De middag verstrijkt zoals middagen in deze zaak horen te verstrijken: trager dan stroop. Buiten valt de schemering over de kasseien. Binnen ritselen de bladzijden van oude folianten die zichzelf een pagina omslaan om niet in te dutten.
Dan klingelt het belletje opnieuw. Dezelfde schorre, lieve toon.
Het meisje staat er weer. Geen jas meer, haar haar is droog. Ze houdt het blauwe boekje met beide handen wijd open voor zich uit.
‘Het werkte,’ zegt ze, en haar stem trilt tussen een snik en een lach in. ‘Oma werd wakker. Ze zei dat ze gedroomd had van een winkel zonder naam. En van een man die haar een verhaal vertelde toen ze nog jong was. Ze noemde uw naam. Uw echte naam.’
Mijn handen, die duizenden fragiele perkamenten schadevrij hebben hersteld, beginnen te trillen.
‘Welke naam?’ vraag ik. Het woord voelt zwaar, als een droge kiezel op mijn tong.
‘Corvin,’ zegt ze.
Het geluid van die naam slaat in mij neer als een steen in een diepe put. Een lach komt uit mijn keel, zo ongewoon en rauw dat het meisje met grote, ernstige ogen naar me kijkt.
‘Ze wacht buiten,’ fluistert ze. ‘In de rolstoel. Ze is te zwak om de stoep op te komen, maar ze zei dat u haar wel zou helpen.’
Ik stap achter mijn werkbank vandaan en loop naar buiten. De regen is gestopt. De straten glimmen als nat leisteen in het laatste licht. Daar zit ze. Klein, gebogen onder een wollen deken, haar handen rimpelig en gevouwen in haar schoot.
Haar ogen zoeken de mijne.
‘Je liet me wachten, Corvin,’ zegt ze met een kraakje in haar stem.
‘Jij liet de deur openstaan, Mirelda,’ antwoord ik. ‘Minder dan honderd jaar had ik er niet over kunnen doen.’
‘Ik wist dat je er nog zou zijn,’ fluistert ze. ‘Daarom nam ik de tijd.’
Ik buk voorover, schuif mijn armen onder haar broze rug en til haar op. Ze weegt bijna niets meer; ze voelt als een stapel droge, zachte bladzijden. Voorzichtig draag ik haar over de drempel. Boven ons klinkt het koperen belletje. Eén enkele slag. Deze keer helder en zuiver, zonder een spoortje vals.
Het meisje kijkt ons na vanaf de stoep. Dan stopt ze het blauwe boekje diep onder haar arm, draait zich om en huppelt de straat uit.
Die avond gaat de zware grendel van de winkeldeur voor het eerst in een eeuw dicht.
We zitten bij de gietijzeren kachel in de hoek. De olielamp werpt zachte schaduwen over de muren.
‘Vertel me nog één keer dat verhaal, Corvin,’ vraagt ze zacht, terwijl haar hoofd tegen mijn schouder rust.
Ik sta op, wandel naar de stelling en pak het rode boekje. Ik ga naast haar zitten, sla de bladzijde om en begin te lezen.
‘Une grenouille qui parlait français...’
Mirelda gooit haar hoofd naar achteren tegen de leuning en lacht. En voor het eerst in honderd jaar is de winkel helemaal stil.
H. Verdonk.
Glas & Stilte.