Robbeneiland, begin jaren 80
De boot voer traag door de vroege ochtendmist, en het geluid van de motor was het enige dat de stilte over het water verstoorde. Pieter, een hoge ambtenaar van het Departement van Gevangenissen, stond bij de reling. Met zijn handen diep in de zakken van zijn jas en zijn kraag omhoog, keek hij naar het eiland dat langzaam vorm kreeg uit de grijze nevel. Het was een lage streep land, kaal, met daarachter niets dan de wijde vlakte van de Atlantische Oceaan die zich uitstrekte tot aan de einder.
Hij had de tocht al driemaal eerder gemaakt. Altijd in het geheim, altijd zonder dat er een naam op een reisdocument stond. Maar dat was steeds voor gesprekken met de directie geweest, nooit met de gevangene zelf. Deze keer was anders. Deze keer had men hem, na weken van stil overleg in Pretoria, eindelijk toestemming gegeven voor wat hij werkelijk was komen vragen.
Aan de kade wachtte een bewaker. Zijn uniform was onberispelijk gestreken ondanks het vroege uur. Hij leidde Pieter zonder woorden over het smalle, met kiezels bezaaide pad naar een laag gebouw met kleine, hooggeplaatste ramen. De poort viel met een doffe klap achter hen dicht.
Binnen was het kil, ondanks het seizoen. De muren waren witgekalkt, kaal, met hier en daar een donkere vlek van vocht die door de verf heen sijpelde. Een houten tafel. Twee stoelen. Een klein raam, te hoog om doorheen te kijken zonder op te staan, waardoor alleen een vierkant stuk bewolkte hemel zichtbaar was.
Pieter ging zitten en wachtte.
De minuten verstreken traag. Ergens buiten riep een meeuw, daarna werd het weer stil. Hij hoorde voetstappen naderen door de gang, langzaam, gelijkmatig, het geluid van iemand die geleerd had nooit haast te tonen, ook niet wanneer haast gepast zou zijn.
De deur ging open.
Mandela stond in de deuropening. Hij was ouder dan op de foto's die Pieter ooit had gezien; zijn haar grijzer, zijn gestalte magerder, maar zijn houding recht, bijna plechtig. Hij droeg het grove grijze gevangenispak, schoon maar versleten aan de randen. Zijn ogen namen de kamer op: de tafel, de twee stoelen en de blanke man die al zat, nog voordat hij ook maar één stap naar binnen zette.
Ga zitten, alstublieft, zei Pieter. Zijn stem klonk onvaster dan hij had gewild.
Mandela bewoog zich naar de andere stoel en ging zitten. Zijn rug bleef recht, zijn handen rustten gevouwen op de tafel. Hij was kalm, alsof hij deze kamer al honderd keer eerder had betreden, hoewel het de eerste keer was.
U bent van ver gekomen, zei Mandela ten slotte, om te zwijgen in plaats van te spreken.
Pieter schraapte zijn keel. Ik ben hier niet om iets te beloven. Ik ben hier om te vragen of een gesprek ooit mogelijk zou zijn. Niet vandaag. Niet dit jaar, misschien. Maar ooit.
Er viel een lange stilte. Buiten klonk opnieuw de roep van de meeuw, verder weg nu, wegstervend over het water.
Ik zit hier zeventien jaar, zei Mandela langzaam. Zijn blik was niet op Pieter gericht, maar op het vierkante grijze licht dat door het hoge raam viel. In die zeventien jaar is mij nooit gevraagd of een gesprek mogelijk zou zijn. Mij is verteld wat mogelijk was. Door mannen als u.
Dat weet ik, zei Pieter zacht.
Mandela keerde zijn blik naar hem toe. Zijn ogen waren niet vijandig, maar ook niet zacht. Het was een kalmte die dieper ging dan vermoeidheid; een rust opgebouwd uit duizenden dagen die niet anders hadden kunnen verlopen dan hoe ze waren verlopen.
Waarom nu? vroeg Mandela.
Pieter aarzelde. Hij keek naar zijn eigen handen op de tafel, naar de rimpels in zijn vingers. Hij voelde zich ineens ouder dan hij dacht te zijn.
Omdat de wereld verandert buiten deze muren, zei hij ten slotte. Sneller dan wij hier willen toegeven. En omdat ik begin te vermoeden dat wij aan de verkeerde kant van de tijd zijn gaan staan.
Mandela hield zijn blik strak op Pieter gericht. Het enige geluid in de kamer was het zachte tikken van regen die tegen het hoge raam begon te slaan, onregelmatig eerst, daarna gestager.
U begint te vermoeden dat u aan de verkeerde kant van de tijd staat, zei Mandela uiteindelijk. Ik heb hier zeventien jaar gehad om van vermoedens zekerheden te maken. Het systeem waarvoor u werkt, zal niet zachtjes uitdoven. Het zal zich vastklampen tot het laatste moment, en dan alsnog proberen de voorwaarden te dicteren van zijn eigen ondergang.
Misschien, zei Pieter. Of misschien is er een weg die niemand nog volledig ziet, omdat niemand hem eerder heeft hoeven bewandelen.
Mandela’s mondhoek bewoog iets. Het was geen glimlach, maar het lag er niet ver vandaan.
Dat is de eerste eerlijke zin die u vandaag heeft gesproken, zei hij.
De regen viel nu gestaag tegen het raam, en het grijze licht in de kamer verdiepte zich tot een dof, waterig blauw. Pieter keek naar zijn handen. Mandela keek naar het raam, naar de regen die hij niet kon zien vallen, maar alleen kon horen.
Ik kan u niets beloven, zei Pieter ten slotte. Alleen dat ik zal terugkomen.
Dan kom terug, zei Mandela. Ik heb geleerd te wachten.
De deur viel dicht. De voetstappen stierven weg door de gang.
Mandela was niet opgestaan; hij bleef zitten, zijn handen gevouwen, zijn blik weer naar het hoge grijze raam gekeerd. Het was alsof de man die net was binnengekomen al was vergeten, en alleen de regen nog overbleef om naar te luisteren.
Pollsmoor Prison Kaapstad 1988
De zwarte wagen reed gestaag door de regen die over de buitenwijken van Tokai spoelde. Achter het raam trokken de kletsnatte eikenbomen voorbij, hun bladeren zwaar en donker van het water. Op de achterbank zat Kobie Coetsee. Hij keek naar zijn eigen spiegelbeeld in het natte glas, terwijl de auto door de bewaakte poort van Pollsmoor reed.
De lift bracht hem naar de bovenste verdieping. De gangen roken naar natte vloerbedekking, boenwas en de flauwe lucht van een instellingskeuken. De kamer lag aan het einde van de gang. Het raam stond op een kier; een smalle strook koude lucht gleed langs het gordijn naar binnen.
Toen de deur openging, stapte Mandela de ruimte in.
Hij droeg het donkere pak dat Coetsee hem had laten bezorgen. De stof viel ruim om zijn magere schouders. Zijn haar was aan de slapen volledig zilver geworden, zijn gelaatstrekken dieper uitgesneden door de jaren. Hij bewoog bedachtzaam, alsof elke stap een bewuste keuze was.
Meneer Coetsee, zei Mandela.
Zijn stem vulde de kale ruimte zonder luid te worden. De klank was diep, gedempt als schuurpapier over zacht hout.
Coetsee stak zijn hand uit.
Meneer Mandela.
Mandela keerde zijn blik naar de uitgestoken hand. Zijn ogen rustten er een moment op, voor hij ze weer opsloeg naar het gezicht van de minister. Met een lichte, bijna onmerkbare buiging van het hoofd maakte hij een gebaar naar de stoel.
Gaat u zitten, zei Mandela zacht.
Ze gingen beiden zitten aan de houten tafel. Coetsee trok zijn hand terug en legde zijn handschoenen naast elkaar op het hout. Er viel een korte stilte waarin ze elkaar strak aankeken. De blik van Mandela was volkomen rustig.
Coetsee verzette zijn schouders iets.
U maakt het mij niet makkelijk, zei hij ten slotte.
Mandela vouwde zijn handen op de tafel en wendde zijn gezicht naar het raam, waar de regen langs het glas omlaag streepte. Buiten was de wereld grijs en wazig; hij bleef er stil naar kijken, alsof de woorden van de minister al in de ruimte waren opgelost nog voordat ze de muur hadden bereikt.
Coetsee haalde diep adem en keek naar de man tegenover hem.
De druk vanuit Pretoria groeit, begon Coetsee zacht. Er zijn mannen in het kabinet die vinden dat we met deze ontmoetingen al te ver gaan. De president wil een duidelijke toezegging. Een teken dat het geweld ophoudt.
Mandela verroerde geen spier. Hij bleef naar de regenstroompjes kijken die langs het glas naar beneden kronkelden. Een lange stilte viel in de kamer, waarin het gewicht van de woorden van de minister langzaam oploste.
Meneer Coetsee, zei Mandela ten slotte. Zijn stem klonk diep en gedragen. U vraagt ons om de vuist te openen, terwijl de hand die ons vasthoudt nog steeds gesloten is.
Hij legde zijn handen plat op het hout van de tafel, zijn vingers ontspannen.
U zoekt rust, ging Mandela verder, zijn blik terugkerend naar de ogen van de minister. Maar u zoekt haar op de plek waar u haar zelf heeft begraven.
Coetsee leunde iets voorover.
Het land staat aan de rand van de afgrond. Als de deuren te snel opengaan, verdrinken we allemaal in de chaos. Dat weet u net zo goed als ik.
Mandela knikte. Het was nauwelijks een beweging, meer een trage erkenning van de lucht in de kamer.
De storm is niet buiten begonnen, meneer Coetsee, zei hij, en zijn stem bleef zo zacht dat de minister zich onwillekeurig iets naderbij moest buigen. De storm is begonnen in de kamers waar de wetten werden geschreven.
Coetsee zweeg. Hij keek naar de fijne rimpels rond de ogen van Mandela, naar de absolute afwezigheid van haast in diens houding. In Pretoria werd geschreeuwd, gedreigd en onderhandeld over uren en dagen. De man tegenover hem leek te ademen in decennia.
Mandela leunde achterover in zijn stoel. De houten zitting kraakte lichtjes.
U heeft mij hierheen gebracht, zei Mandela zacht, terwijl hij naar de betonconstructie om hen heen keek. U dacht dat het vasteland dichtbij de stad was. Maar u bent nog steeds aan de overkant.
Hij zweeg weer. De regen buiten zette door, een grijze muur van water die het zicht op de bergen in de verte volledig uitwiste. Coetsee keek naar zijn handschoenen op de tafel. Hij pakte ze niet op. Hij wist dat het gesprek voorbij was, niet omdat de tijd om was, maar omdat de stilte in de kamer zwaarder was geworden dan alles wat hij nog zou kunnen zeggen.
Victor Verster Prison, Paarl, februari 1990
De middaghitte hing zwaar over de Drakensteinvallei. Door de geopende jaloezieën van de bungalow drong de geur van droog gras en rijpend fruit binnen. De kamer was ruim, bijna huiselijk, met een zithoek en een lange eikenhouten tafel waaraan de afgelopen maanden in het geheim documenten waren geschreven die de toekomst van het land zouden bepalen.
In de hoek van de kamer draaide een ventilator in een traag, monotoon ritme.
Frederik Willem de Klerk stond bij het venster. Hij droeg een donkerblauw pak, de das strak aangetrokken, zijn vingers gehaakt achter zijn rug. Een week eerder had hij in de zaal van het parlement de woorden gesproken die het regime hadden doen wankelen: het verbod op het ANC was opgeheven, de noodtoestand versoepeld.
Achter hem ging de deur open.
Mandela stapte de woonkamer binnen. Hij droeg een licht overhemd en een donkere pantalon. De jaren in de bungalow op het gevangenisterrein hadden het gure grijs van de cellen van zijn gezicht gewist, maar zijn bewegingen waren onveranderd: afgemeten, met een vanzelfsprekend gezag.
Meneer De Klerk, zei Mandela.
De Klerk draaide zich om. De twee mannen stonden stil tegenover elkaar in de zonlichtstralen die door de jaloezieën op de vloer vielen.
Zondag is de dag, meneer Mandela, zei De Klerk. Zijn stem was formeel, maar onder de vlakke toon klonk de spanning van de afgelopen dagen door. Zondag elf februari. U zult worden overgebracht naar Kaapstad. Vanaf het balkon van het stadhuis kunt u het volk toespreken. Als vrij man.
Mandela knikte. Hij liep naar de lage tafel en gebaarde De Klerk te gaan zitten.
Gaat u zitten, meneer De Klerk.
Ze gingen tegenover elkaar zitten. De ventilator blies een lichte luchtstroom tussen hen in.
U heeft een stap gezet die moed vergde, zei Mandela zacht.
De Klerk leunde iets voorover, zijn ellebogen op de leuningen. Hij keek niet naar Mandela, maar strak naar zijn eigen gevouwen handen op de tafel.
Ik ben bang, meneer Mandela, zei De Klerk plotseling. Zijn stem viel bijna weg tegen het ruisen van de ventilator. De reacties in de townships, de woede onder de blanken, de generaals die hun grip verliezen. Ik ben bang dat ik een muur heb omvergeslagen zonder te weten wat erachter vandaan komt. Bent u niet bang?
Mandela bleef doodstil zitten. Hij keek naar de lichte rimpeling van de vitrage bij het raam, waar buiten de wind door de palmen streek. De stilte duurde zolang dat De Klerk zijn hoofd langzaam opsloeg.
Nee, meneer De Klerk, zei Mandela zacht. Bang ben ik niet.
Hij pauzeerde, zijn blik onpeilbaar op de president gericht.
Maar ik ben wel onzeker, ging hij verder. Elke nacht als de lichten op het terrein doven, vraag ik mij af of ik wel degene ben die dit land bij elkaar kan houden. De verwachtingen buiten deze poort zijn groter dan één mens kan dragen.
De Klerk staarde hem aan.
Mijn mensen zullen mij dit nooit vergeven, zei De Klerk zacht.
De mijne zullen geduld moeten hebben met ons beiden, antwoordde Mandela. Wij hebben de drempel bereikt, meneer De Klerk. Wat achter ons ligt, kunnen we niet meer veranderen. Wat voor ons ligt, moeten we samen dragen.
De Klerk stond langzaam op. Mandela stond eveneens op, zijn rug recht.
Mandela keek naar de president, reikte zijn hand over de tafel en stak hem uit. De Klerk aarzelde een fractie van een seconde, keek Mandela aan, liet zijn blik zakken naar de uitgestoken hand en pakte hem toen vast.
Door Linda Schoonebeek.
De Wachter.
Historische noot
Dit verhaal is een literaire verbeelding van de geheime toenadering tussen Nelson Mandela en vertegenwoordigers van de Zuid-Afrikaanse regering in de jaren tachtig, die uiteindelijk zou bijdragen aan de onderhandelingen over het einde van de apartheid.
De historische gebeurtenissen, locaties en politieke ontwikkelingen zijn gebaseerd op de bekende geschiedenis. De gesprekken met Kobie Coetsee en F.W. de Klerk zijn literair gereconstrueerd; de dialogen zijn niet letterlijk overgeleverd. Pieter is een fictief personage, geïnspireerd op de voorzichtige contacten en verkenningen die in deze periode vanuit regeringskringen plaatsvonden.