Terug naar site

Daan

Proloog:

De regen was overgegaan in die fijne, bijna onzichtbare motregen die overal aan blijft plakken toen Daan de hoek van de Stationsstraat omkwam.

Hij was zestien, zijn handen diep weggekropen in de mouwen van zijn veel te grote jas, zijn koplamp die flikkerde op het ritme van zijn trappers. Boven de stad hing een lucht de kleur van nat karton. In de smalle straat achter het spoor, waar de geur van kolenrook en nat asfalt altijd bleef hangen, stond een oude Mercedes-verhuiswagen half op de stoep. De bak op de achterkant was van vergrijsd hout, met aan de zijkant in afgebladderde letters de naam van een transportbedrijf dat waarschijnlijk al jaren niet meer bestond.

Twee mannen liepen af en aan. Ze droegen dikke, blauwe werkjassen met vaal geworden kraagstukken van imitatiebont en donkere mutsen die diep over hun oren waren getrokken. Ze spraken niet. Het enige geluid was het schurende schrapen van hun zware veiligheidsschoenen over de natte klinkers, het klinken van de metalen laadklep en het doffe, zware neerkomen van hout op hout. Een groenfluwelen fauteuil met een kale plek op de zitting verdween in de duisternis van de wagen. Daarna een ladekast waarvan één knop miste, en vervolgens een reeks verhuisdozen, dof van het vocht, waarop met een dikke, zwarte viltstift woorden waren geschreven. Daan tuurde vanuit het voorbijrijden naar de letters: keuken, boeken, diversen.

Daan minderde vaart, liet zijn voeten van de trappers glijden en sleepte met zijn zolen over het kletsnatte trottoir tot hij stilstond.

Op de eerste verdieping, achter de hoge, smalle ramen van het oude pand, stond een vrouw.

Ze droeg een dun, bordeauxrood vest over een donkere jurk. De stof van het vest was bij de ellebogen dun gesleten. Haar grijze haar zat in een haastige knot op haar achterhoofd, waar een paar dunne plukken uit waren geduwd die langs haar hals hingen.

Haar armen hingen slap langs haar lichaam, haar vingers licht gekromd. Ze keek niet naar de twee mannen die beneden haar meubels de straat over droegen. Ze keek ook niet naar de buurman die aan de overkant van de straat met een wandelwagen snel voorbij liep en recht voor zich uitkeek. Ze stond daar volkomen roerloos in de schemering van de kamer, waar de lampen al van het plafond waren gehaald en alleen nog een bloot peertje aan een zwart snoer uit het stucwerk stak.

Daan bleef staan, zijn hand vastgeklemd om zijn koude stuur. Het licht achter het raam veranderde. Een van de verhuizers trok binnen een stekker uit het stopcontact, en het warme, gele schijnsel waarin de vrouw stond doofde uit. Ze werd een donker silhouet tegen het late middaglicht van de straat.

Pas toen de chauffeur de motor van de vrachtwagen met een schor gerasp tot leven wekte en er een blauwe wolk diesellucht door de straat blies, stapte Daan weer op. Bij de hoek keek hij nog één keer om. Het raam was leeg.

De volgende ochtend lag de krant op de keukentafel, nat van de regen die de bezorger erin had laten sijpelen. Daan zat met een kom havermout voor zich en sloeg de krant open. Het berichtje stond onderaan pagina zeven, weggedrukt tussen een aankondiging van het gemeentelijke straatonderhoud en een overlijdensbericht.

Vijf regels.

Huurachterstand leidt tot ontruiming van woning in Stationsbuurt.

Er stond een naam bij die hij niet kende. Een bedrag dat hem niets zei. En de straatnaam die hij gisteren had afgelegd. Geen woord over het bordeauxrode vest. Geen woord over de kale plek op de fauteuil, de geur van natte diesellucht, of de manier waarop het licht uit haar kamer verdween toen de stekker eruit werd getrokken.

Daan las het stukje een tweede keer. Toen sloeg hij de krant dicht. Het papier voelde klam onder zijn vingers.

Die middag fietste hij langzamer dan normaal door dezelfde straat.

De verhuiswagen was verdwenen. De straat rook weer gewoon naar regen. Maar de ramen van de eerste verdieping waren kaal; de vitrages die er gisteren nog hingen waren weggehaald, en het kale glas spiegelde de grijze lucht. Op de muur waren grote, bleke rechthoeken en vierkanten zichtbaar, plekken waar jarenlang schilderijen, spiegels en klokken hadden gehangen.

Aan de overkant sloeg de buurman zijn voordeur dicht. Het koperen belletje van de bakkerij op de hoek rinkelde. Een auto reed voorbij, zijn banden ritselend over de natte klinkers.

De wereld ging door alsof het huis altijd leeg was geweest.

Daan bleef nog even staan kijken. Hij voelde de klamme kou van zijn natte sokken in zijn schoenen, maar hij kon zijn ogen niet afhalen van die bleke vakken op de muur. Er was een heel leven opgeruimd in een paar uur tijd, en de krant had er vijf regels voor nodig gehad.

Een week later hingen er strakke, witte jaloezieën voor het raam. Twee maanden later brandde er een fel halogeenlicht dat de hele straat verlichtte.

Mensen kwamen en gingen. De straat veranderde nauwelijks.

Jaren later, toen Daan allang de stad van zijn jeugd achter zich had gelaten, wist hij niet meer hoe het gezicht van de vrouw eruit had gezien.

Hij herinnerde zich haar naam niet meer. Hij wist zelfs niet meer precies hoe het bordeauxrode vest eruit had gezien.

Het enige wat hem altijd bijbleef, was de stilte achter het glas.